| intro |

Na hun huwelijk in 1940 zijn mijn vader en moeder komen wonen in de
Roelantstraat 4 ³. In dat huis zijn ik, mijn jongere
broertje en (nog) jongere zusje geboren en opgegroeid. Op de foto zijn
we aan het spelen op de veranda aan de achterkant van het huis.
Vanaf ons balkon keken we op de Admiraal de Ruyterweg richting
De Rijpgracht, op de sportvelden (nu grotendeels bebouwd) aan de Joos
Banckersweg, en op de Erasmusgracht. Aan de overkant van de Erasmusgracht
lag, voorbij de sportvelden, het Jan van Galenpark, later omgedoopt
in Erasmuspark. In de Roelantstraat hebben we de
februaristorm van 1953
nog meegemaakt, die met name in Zeeland en de Zuid-Hollande eilanden
tot een waternoodramp leidde. Voor ons kinderen was het loeien van
de storm meegemaakt, vooral; 's nachts ronduit beangstigend.
In Zeeland en de Zuid-Hollandse eilanden leidde de combinatie van
noordwetesrstorm en springtij ("hooghoogwaterspring") tot een watersnoodramp
van ongekende proporties, met op allerlei plaatsen dijkdoorbraken en zo'n
2000 doden tot gevolg. Deels was dit ook te wijten aan "Hilversum".
want klokslag 12 's nachts werd het Wilhelmus gespeeld, een
ellenlang lied dat voor "volkslied" doorgaat, (een ellenlang lied dat
nog nooit is aangepast/herschreven/vervangen en compleet detoneert in
de latere situatie: is er nog iemand in Nederland die de koning van
Spanje eert, of van Duytschen bloed is, zelfs na de twee wereldoorlogen?
Strikt genomen geldt dat "van Duytschen bloed" voor mijzelf, want mijn
verre voorouders kwamen (rond 1600) uit Duitsland. Moet het dan Diets
zijn? Maar nee: het is alleen maar een benaming waarmee de oude
Middel-Nederlandse regio-talen werden aangeduid. Ook dus al bepaald
niet iets hedendaags).
We haden het dus over het einde van de dag en de radio die uiterst
waardevolle en levensreddende hulp had kunnen bieden tijdens die
rampnacht. Maar nee: strikt volgens voorschrift werd om twaalf uur
's nachts de zender uitgeschakeld. Dat zich toen al een ramp van
epische proporties aan het voltrekken was, land werd verzwolgen en
mensen en dieren verdronken, zelfs dat vermocht niet de radiobazen op
andere gedachten te brengen, de radio door te laten gaan met uitzenden
(en dus informeren en zodoende helpen). Regels zijn tenslotte regels,
nietwaar? Negeren ervan, en daarmee informeren (bijv. met informatie
van en sturing door de helikopterpiloten die met gevaar voor lijf en
leden in de razende storm boven de overstromende gebieden door bleven
vliegen) en coöordineren had veel mensen het leven kunnen redden
als men toen door Maar "regels zijn tenslotte "nietwaar? Was blijven
zenden, dan hadden de werkelijk heldhaftige helikopterpiloten, die
toen lijf en leden op het spel zetten om nog zoveel mogelijk mensen
op te sporen en te redden van de daken van ondergelopen huizen en
boerderijen. Maar ook vee van het ondergelopen land naar vaste grond
kunnen meelokken of jagen.

Over de Admiraal de Ruyterweg reed in die tijd nog de "Blauwe Tram",
in twee gedaanten: de "Kikker" (Spuistraat - Sloterdijk) en de
"Haarlemse tram" (Spuistraat - Sloterdijk - Haarlem - Zandvoort).
De Kikker was een hele oude tram: een Métallugique van begin
1900. Ze hadden een klein vermogen, en als de bestuurder niet goed
oplette, was dat het begin van een vast ritueel: de tegen het plafond
van het voorbalkon gemonteerde maximaalautomaat schakelde uit, de
bestuurder draaide eerst de rijkruk naar nul en deed daarna een greep
omhoog naar de kruk van de maximaalautomaat om die weer in te schakelen.
Je wende eraan, maar vermakelijk was het wel. Overigens reed er ook
een Métallugique als stadstram met sleepbeugel tussen Sloterdijk
en het Haarlemmermeer en Nassauplein, waar een kopstation was (de
rails eindigden vlak voor een groot gebouw). Achteruitrijden kon met
een sleepbeugel niet - om terug naar Sloterdijk te kunnen rijden
moest eerst het "beugelzwaaien" worden uitgevoerd (beugel aan touw
omlaag trekken, dan lopend een halve slag draaien en tenslotte rustig
het touw laten vieren totdat het sleepstuk van de beugel weer tegen de
bovenleiding drukte. Die trams waren al erg oud, het spoor was oud en
niet echt recht meer, dus de tram schudde tijdens het rijden als een
bezetene, en dat zo vlak langs het water... wat je noemt een een nogal
beangstigende ervaring.

Van de Haarlemse tram waren er twee uitvoeringen: het type "Beynes"
van de firma
Beijnes
in Haarlem, en het type "Boedapester" van de firma
Ganz
in Boedapest. Zie ook de webpagina
Tramarchief: De tramlijn Amsterdam-Haarlem-Zandvoort, of
nog beter: bezoek het NZH Vervoermuseum. Daar staat ook een geheel
gerestaureerde Boedapester opgesteld (helaas alleen een bijwagen;
van de motorwagen is geen enkel exemplaar bewaard gebleven).
Persoonlijk vond ik de schonkige Boedapester het mooist, omdat hij
zo'n kracht uitstraalde. Menigmaal zijn we met die tram naar Zandvoort
geweest. Maar nooit is het me toen opgevallen dat er in het plaatsje
Halfweg, waar de tram een halte en een opstelspoor had, een echt,
werkend stoomgemaal was, terwijl je dat toch vanuit de tram kon zien.

Maar ja, er was afleiding: de tram reed daar "zwevend" over een breed
water (Zijkanaal F, naar ik later leerde), en niet over een
"echte" brug, maar over "alleen maar een paar ijzeren balken", en
dat was natuurlijk heel erg spannend en ook een beetje beangstigend!
En uitgerekend daar, bij Stoomgemaal Halfweg dat ik vroeger vanuit
de tram niet zag, zou ik in 2010 vrijwilliger-conservator-techneut-ict'er
worden... In tegenstelling tot de Cruquis werkte dat gemaal nog wel
onder stoom, zij het dat het geen water meer afvoerde, maar puur ter
demonstratie rondpompte. De tram was toen al meer dan 50 jaar
eerder opgeheven en de trambrug gesloopt. Dat geldt overigens niet
voor de oude treinbrug waarover de allereerste spoorlijn (1839) van
Nederland, met de stoomlocomotieven "Snelheid" en "Arend", tussen
Amsterdam en Haarlem reed, met een duizelingwekkende snelheid van
maar liefst 38 km/u, veel sneller dan de oude, maar wel
comfortabele trekschuit (7 km/u) en de paardenkoets (14 km/u).
De sluisjes zijn gelukkig, na heel veel discussie, bewaard gelkeven
en staan op de gemeentelijke monumentenlijst, evenals de brug waarover
de al genoemde eerste stoomtrein van Nederland reed (eerst smalspoor,
later normaalspoor). Wel wordt/is er door Rijnland in het oostelijk
eiland van het sluisjescomplex een extra doorvoer gemaakt, voor een
betere afvoer van water vanuit de Ringvaart en dus vanuit de
Haarlemmermeerpolder.
Mijn vader - na de kweekschool begonnen aan de Jan de Liefdeschool -
was in die tijd onderwijzer aan de Pieter Oosterleeschool, (de naam
die in fraaie gesmede letters stond was "P. Oosterleeschool") en ook
al was het behoorlijk ver van ons huis (zo'n 2 km), het lag
toch voor de hand dat de kinderen daar ook heen zouden gaan. Dat
gebeurde dus ook. Ons vervoermiddel naar school was wat toen nog
"autoped" heette (en nog geen rem had...).
In die tijd kon dat nog, want auto's waren een zeldzaamheid, en je kon
als kind een - toen al - brede straat als de Hoofdweg nog
oversteken zonder de kans platgereden te worden door zo'n opgevoerde
elektrische "fatbike" of of zo'n SUV waarmee ouders later hun kinderen
van 200 meter ver naar school meenden te moeten brengen. Later
gingen we met de autobus, zo'n geval met een enorme kast voorin waar
"Kromhout" op stond en waar de verre van stille motor in zat, met opzij
een hele lange versnellingspook. Die kast fungeerde ook als tafel voor
de buskaartjes en het geld.
Naar de Pieter Oosterleeschool ging ik ook vaak via de Admiralengracht.
Begin jaren '50 werden daar opeens op de wallekanten, een stuk boven
het water, op paaltjes staande
kademuurtjes
gebouwd (rechts zichtbaar) die nergens voor leken te dienen, maar die
later verband bleken te dienen als nieuwe kademuur na met de verhoging
van de waterstand in de gracht (en in de Erasmusgracht) van polderpeil
(NAP -2,10) naar stadspeil (NAP -0,40)
i.v.m. de bouw van de
Westelijke Tuinsteden.
Ik heb toen ook één of tweeeen par stenen ervan mogen
metselen. Pas veel later begreep ik dat ik met mijn ongeschoold metselwerk
een uiterst kleine - maar door de metselaar wel goedgekeurde! -
bijdrage had geleverd voor de ontpoldering van de Sloterpolder, maar dus
ook voor de onteigening van de tuinders daar. Aan het eind van de
Erasmusgracht, vlakbij de Joos Banckersweg, werd een eenvoudig pompstation
van golfplaat gebouwd, met een dikke ijzeren buis onder de Roelantstraat,
de Admiraal de Ruyterweg (onder de tramrails door), en De Rijpstraat, om door
de kademuur van De Rijpgracht heen onder stadsniveau in het water uit te komen.
van De Rijpgracht (onder water (stadspeil), dus onzichtbaar). Mijn jongere
broertje, nogal een waaghals, is destijds in de gegraven gleuf gevallen en
klem komen te zitten tussen buis en gleuf, wat voor nogal wat paniek zorgde,
maar met de nodige hulp en moeite is hij is er veilig uitgetrokken. Later
is het pompstation vervangen door net bouwwerk, midden in het water. Ik
heb dan ook reden om aan te nemen dat het nog steeds gebruikt vordt om
overtollig regenwater uit de tuinsteden naar De Rijpgracht, en daarlangs
uiteindelijk naar buiten, naar het IJ, het Noordzeekanaal en zee. Voorbij
de Jan van Galenbrug, die ooit als vuilstort diende, later is opgeruim,
waarna er de jaarlijkse kermis plaatsvond, om uiteindelijk bebouwd te
worden. De bebouwingsobsessie heeft ook de molen voorbij de Jan van
Galenstraat getroffen: door de toenemende benouwing kon hij niet of
nauwelijks meer wind vangen en begon hij tekenen van verrotting te
te vertonen, maar de gemeente wilde hem hoe dan ook
daar als
monument laten staan en hem beslist nier naar een andere, gunstiger
plaaats verplaatsen. Maar ja, de gemente Amsterdam heeft wel vaker
domme dingen gedaan, en dat gebeurt nog steeds. Overigens was de
oudste broer van mijn moeder, als werknemer bij Groenpol (Groenewoud
en van de Pol) betrokken bij het onderhoud van de brug, maar helaas
heb ik er nooit een kijkje mogen nemen ("te gevaalijk bij die grote
zware onderdelen, hoge spanningen, en elektromotoren die het grote,
brede en loeizware burgdek op en neer draaiden (het dek werd overigens
door een even zwaar, maar tegengeseteld draaiend verlenngstuk van de
blugklap omhoog gehouden en tijdens het draaien volledig in balans
(alleen voor het starten van opgaande en neergande beweging was extra
(mechanische en elektrische) energie nodig. Ook bij sneeuw en vriezend
weer en zware vervuiling van de weg en rails was dit nogal eens nodig.
De (toen nog) fraaie draaibare gesmede hekken over de rijweghelften
en trottoirs (die over de laasten werden altijd als laatste gesloten,
want voetgangers zijn nu eenmaal niet zo snel. Het sluiten van de
hekken was een fraai gezet: de brugwachters hadden geleerd ze precies
zo'n zet te geven dat de met enig licht gekloken in hun gerndelhaken
vielen. De fraaie hekken zijn later vervangen door de bekende lelijke
dunne rood-witte elektrisch slagbomen, Gelukkiig is van alk van de
fraaie oud slagbomen er éénn exemplaar bewaars gebleven
op het terrein van het gemeentemuseum van Amsterdam aan de Zaanstraat
(het beroemde en veruit mooiste gebouw in Amsterdamse School stijl;
het stond op misschien 200 meter lopen vanaf het huis van mijn
grootouders-van-vaderskant, maar ik heb ze er nooit over gehourd,
vermoedelijk omdat het te werelds was voor het zwaar gereformeerde
karakter van het deel waar zij woonden (dat dat deel van de
woningbouwvereniging "Patrimonium" ("Vaderlijk Erfdeel") was zegt
waarschijnlijk al genoeg). Als we via de Spaarndammerstraat naar
de Zaanstraat liepen, kwamen we uiteraard ook langs het blok in de
Amsterdamse School stijl in de meest pure en extravagante uitvoering.
Het verbaast me nog steeds dat mijn vader ons kinderen nooit op dat
prachtige gebouw heeft gewezen, terwijl het veruit mooiste deel van
het blok aan de Zaanstraat lag, aan het begin waarvan onze grootouders
(van vaderskant) woonden. De verklaring is vermoedelijk dat het vanaf
het Nassauplein naar het begin van de Zaanstraat korter lopen was via
de Spaarndammerstraat dan via de Zaanstraat (waar een bocht in zat
waar hij overging van parallel aan het spoor naar weglopend ervan).
Als alternatieve route liepen we ook wel vanaf Sloterdijk via de
smalle, pittoreske en kronkelige Spaarndammerdijk (het toen daaraan
gelegen Petruskerkje met kerkhof staat er anno 2026, gerestaureerd
en fraai opgeknapt, nog steeds). Vanuit opa en oma's hui keken we
op achtereenvolgens een kaal terrein, waar later het Brediusbad zou
komen, het spoor, en daarachter een lijnwerkplaats voor het spoor.
Pas heel veel later, toen mijn vrouw en ik een fietstocht maakten
door Amsterdam, langs de mij van vroeger bekende plekken, öntdekte"
ik het gebouw, dat toen (sinds 2001) museum Het Schip was geworden.
(Het hele gebouw heette al zo sinds de bouw in 1920).

Mijn vader gaf naast "gewoon les" ook Engels en Frans (Frans is altijd
zijn grote liefde gebleven; hij heeft er tot kort voor het eind van zijn
leven les in gegeven, zelfs nadat het officieel geen verplicht vak meer
was nadat minister Jo Cals het hele onderwijssysteem had "vernieuwd"
(lees: gesloopt). Ook gaf hij wat toen "handenarbeid" heette, en tekenen.
Bekend waren zijn tekeningen van kinderen op het schoolbord:

Handenarbeid was naast een wchoolvak ook zijn grote hobby, die hij zowel
thuis beoefende als buiten schooluren in het handenarbeidlokaal op school
mocht beoefenen. Hij heeft zo ook heel veel speelgoed voor zijn kinderen
gemaakt, waaronder een heel natuurgetrouw "kind-groot" model van een
"Boedapester" tramdeel (één van de twee types van de Blauwe
of Haarlemse tram die via de smalle binnenstraatjes van haarlem verder
via de duinen naar het eindpunt reed: Zandvoort, waar een grote opstel-
en wachtplaas was lakbij het strand; op zomerse dagen zaten die trams
altijd barstensvol en bij het eindpunt in Zandvoort stonden altijd
rijen mensen te wachten); naast de opstelplaats was er voor de passagiers
een lange overkapte wachtgang, waarin ze niet aan de brandende zon waren
blootgesteld.
Naast tekenen kon hij zich eindeloos bezighouden met schilderen; ik denk
dat hij er minstens 100 heeft gemaakt en tegen kostprijs aan familie (ook
in bijv. Portland, OR) en andere geïnteresseerden.
De Boedapester was het zware, schonkige en kracht uitstralende drieledig
tramstel, met de motorwagen in het midden. Als de conducteur tussen het
voorste en achterste wagen zijn kaartknipronde deed moest de deur van het
motorgedeelte even open en werden de passagiers overvallen door een
oorverdovend lawaai. Dat kwam niet, zoals de benaming "motoerwagen"
suggereert, uit dat deel, want alle motoren waren, zoals gebruikelijk
bij trams, om een vlakke binnenvloer te krijgen, in "tramophanging"
gemonteerd (de ene kant van de motor draaiend om een vaste as, de andere
met een zwaar tandwiel en door het gewicht van de motor op de daar ook
van vertanding voorziene wielas drukkend. Dat de motoren echt zwaar
waren behoeft hier geen betoog. Dat het geheel uiterst soepel liep ook
niet. Bij treinlocomotieven was de situatie geheel anders: die hadden
bijv. (1700 serie) 2 manshoge motoren van in totaal 4500 kW.
De Boedapesters
verzorgde samen met de Beijnes stellen de Amsterdam-Zandvoort dienst.
Dat de Blauwe Tram door het gemeentebestuur uit de stad is verjaagd
is alleen maar doodzonde te noemen. Dat de tram geliefd was bij het
publiek bewees wel de enorme mensenmassa die in de Spuistraat afscheid
van de tram kwam nemen bij zijn allerlaatste rit.
Zwaar was de Boedapester zeker, maar voor die tijd ook beslist snel:
op vrije gedeelten haalde hij 60km/h, en dat bij een totaalgewicht van
maar liefst 80 ton! Hij zat dan tegen de top van wat de bovenleiding
aan (gelijk) stroom kon leveren (die gevoed werd via met op diverse
plaatsen langs het spoor staande kwikdampgelijkrichters (grote gesloten
ijzeren vaten met daarin geïsoleerd staande opgestelde ijzeren
schalen gevuld met kwik.
Een sterk staaltje: toen de kinderen kleuters waren vervoerde hij ze
op de fiets: de jongste in een zitje dat aan het stuur hing, de middelste
in een zitje op de horizondale buis, en tot slot mij, in een zitje op
de bagagedrager. Ik moest wel wachten tot hij op het zadel zat, anders
had zijn overzwaaiende been me eraf geschopt... Zijn fiets was een
zware, degelijke herenfiets, zonder versnelling en uiteraard zonder
elektrische aandrijving. En gelukkig ook geen "smart"phone. Kom daar
nu maar eens om...
Ook mijn moeder (ooit begonnen aan de Smalle Padschool (zie opm.) heeft aan de
Pieter Oosterlee lesgegeven. Als invalskracht, wel te verstaan, bij ziekte,
zwangerschap of ander fysiek belemmerend ongemak. Dat heeft ze zelfs ruim
20 keer gedaan, op diverse scholen. Vaste leerkracht kon ze niet meer
worden, want volgens de toenmalige vrouwonvriendelijke wetgeving werden
vrouwen direct na hun huwelijk handelingsonbekwaam (!) - behalve
voor het produceren, oppassen op, verschonen, voorlezen, opvoeden en
grootbrengen van het kroost gold er voor hen een arbeidsverbod!
Als tijdelijke leerkracht heeft ze op nog heel veel andere scholen lesgegeven,
maar het zou te ver voeren om die - voorzover ik de namen kan terugvinden -
in deze context allemaal te gaan noemen. Dat het er 23 zijn geweest weet ik wel,
want een overzicht ervan heb ik bewaard, al acht ik de kans groot dat dat
na mijn overlijden bij het oud papier belandt.
Mijn vader overleed in 1977, nog maar 62 jaar oud. Ik denk nog vaak
aan hem, al koos hij expliciet voor de vergetelheid: crematie met anonieme
verstrooiing van de as. Mijn moeder overleed in 2005, 91 jaar oud
voor de verstrooing van haar as mocht ik, met toestemming van mijn broer
en zus, de plek kiezen. En dan kan er iets wonderbaalijks gebeurem: je
loopt langs een plek, direct naast een boom, waarvan je zonder aarzelen
meteen zegt:
hier is het, dit is de plek. En net als bij mijn
vader is die plek ongemarkeerd.
Opm.
De naam Smalle Padschool kan licht de indruk wekken dat die een "christelijke"
achtergrond heeft. Niets is echter minder waar: de school is genoemd naar het
"Smallepad", het looppad dat daar vroeger vanuit [de tuinderijen in] de
Sloterpolder omhoog naar de stad leidde. De Snalle Padschool zelf is een
bijzonder fraai stukje Amsterdamse School bouw, met veel ornamenten en details
(zoals langs de dakrand, en de smeedijzeren cijfers van het bouwjaar). Het
is zeer aan te bevelen om er eens een kijkje te nemen en foto's te maken,
liefst niet met zo'n flutding dat ten onrechte "smartphone" heet, maar met
een echte camera plus telelens.
Overigens gold het verbod op "ambtelijke" (d.w.z. bij de overheid en daarmee
gelijk te stellen beroepen, zoals in het onderwijs) vrouwenarbeid - ook
voor mijn moeder: de dag na haar trouwen werd zij ontslagen. Het verbod was
trouwens in de wet gekomen op instigatie van en sterke pressie door het
"christelijk" smaldeel in het parlement: volgens hun bekrompen opvattingen
was een getrouwde vrouw eigendom van haar man en hem diende ze dan ook in
alles te gehoorzamen. Alleen op tijdelijke basis - schoolkindertjes
moesten natuurlijk wel les krijgen! - werd oogluikend toegestaan dat
ze werkten, maar ook al was het nuttig en werd het betaald (aan de man!),
het telde toch niet als "echt werk. Voor de rest was haar plaats thuis,
bij de kindertjes. Wel was het haar toegestaan om boodschappen te doen
- tot dat niveau kon de man zich natuurlijk niet verlagen - hij
had wel wat beters te doen... Niet voor niets luidde het oude gezegde "het
enige recht van de vrouw is het aanrecht".
Na de uitgebreide intro dan nu over mijn scholen/schooljaren
| kleuterschool |
Cornelia Boschschool
(Magalhaensplein, Amsterdam)
1947-1948
- [voorste rij, v.l.n.r.]
- naam??
- Zusje Vet
- Joop Hodde (†)
- Carla ? (met pop)
- naam??
- Trudy Kahlé (in kruiwagen)
- naam?? (handen in zakken)
- [tweede rij, v.l.n.r]
- naam??
- naam??
- naam??
- naam??
- naam??
- naam??
- juffrouw Joke ¹)
- Helen Rouwendaal
- [derde rij, v.l.n.r.]
- naam??
- juffrouw van der Meer ²)
- naam??
- Marijke Schensema
- Cor de Pijper
- naam??
- naam??
- juffrouw Joke
- Lia Voortman
- naam??
- [achterste rij, v.l.n.r.]
- Henk Brinkman
- naam??
- Evert Werkman
- Berend Werkman
- Ria Ruisaard
- Willy Groen *)
- Piet Beertema
- Henny Kwaak
- Alex Schelvis
- Chris Bakker
- juffrouw de Knijff ³)
- Willy Boer
- naam??
|
|
|
Van de kleuterschool weet ik vrijwel niets meer. Met Ria Ruisaard zou
ik later, op de Pieter Oosterleeschool, weer in de klas zitten.
De kleuterschool zelf stond aan de Willem Schoutenstraat, maar in
dat gebouw zelf heb ik nooit gezeten, maar alleen in een laag gebouwtje
ervoor, aan het Magalhaensplein, waar toen een paar klassen waren
ondergebracht. Op de foto staan op de achtergrond de Bethelkerk en
de overdekte zandbak.
Bij juffrouw Joke zat ik in de klas. En al kon ze wel eens streng zijn,
ze was een heel prettig, zachtaardige juffrouw. De andere twee juffen
ken ik nog goed van gezicht. De leukste juf vond ik die krullebol rechts
achterin.
Inmiddels ben ik met Willy Groen, Ria Ruisaard en Henk Brinkman in
contact gekomen. Samen hebben ze me geholpen aan flink wat meer
namen van klasgenootjes dan in mijn herinnering waren blijven hangen;
ik heb ze in het lijstje opgenomen. Van de juffrouw met de krullebol
heb ik van Henk de achternaam gekregen, maar ik meen dat we haar bij
de voornaam noemden en dat ze een wat "exotische" voornaam had. Maar
welke, dat weet ik nog steeds niet. Maar wie weet leest een andere
oud-kleuterklasser van toen dit nog eens en kan die me aan die naam
helpen.
Het contact met Ria leverde me overigens een wel heel bijzondere en
volslagen onverwachte verrassing op: van het meisje dat tussen mij
en Ria staat en waar ik toen een beetje verliefd op wAS - wat
helaas niet wederzijds was - herinnerde ik me heel lang met
zekerheid at ze Lientje Groenewegen heette. Ik was dan ook meer dan
ook hoogst verrast, om niet te zeggen verbijsterd, toen Ria me
vertelde dat ik het fout had en dat ze Willy Groen heette. Het
geheugen blijkt maar weer een raar ding dat feiten na lange tijd
flink kan vervormen... Mogelijk dat iemand anders zo heette en dat
mijn geheugen de naam aan dit meishe is gaan koppelen. En wat er al
jong fout in zit kan er heel lang fout in blijven zitten. Maar goed,
het leuke was natuurlijk wel dat ik daarna, via Ria, ook met Willy
in contact ben gekomen.
| ¹) |
"Juffrouw Joke" heette voluit Joke van Steenderen. Ze was rond 1908
geboren; op de foto is ze dus al rond de 40. Ze was liberaal-joods
en had een heel boeiende kennissenkring, zoals beeldhouwer Mari
Andriessen, violist Jo Juda, tekenares Ro Mogendorff (tweelingzus
actrice Do), en Freddy Hamel, dochter van de actrice Lize Hamel.
In de Cornelia Bosch schooltijd woonde ze in de Witte de Withstraat.
Van voor de oorlog zijn enkele brieven van haar bewaard gebleven.
Haar verdere geschiedenis is onbekend.
|
| ²) |
Van Ali v.d. Water, die eerder op deze kleuterschool zat, hoorde ik
dat de voornaam van juffrouw van der Meer Dora was en dat zij hoofd
van de kleuterschool was. Dat laatste kan mogelijk de reden zijn
geweest waarom zij niet "juffrouw Dora" werd genoemd.
|
| ³) |
Van Henk Brinkman hoorde ik dat "die krullebol" van de Knijff heette.
Ik ben nog steeds niet achter haar voornaam kunnen komen, maar volgens
ons allebei was het wel een voor Amsterdamse kinderen exotische naam.
|
| lagere school {1} |
(Orteliusstraat, Amsterdam)
1948-1954
- Greetje Keizer
- Paula Frugte
- Ria Ruisaard
- Attie Verburg
- Bob Bakvis
- Jan van den Berg (†)
- Menno Staneke
Geen klasgenoten, wel schoolgenoten en waarschijnlijk klasgenoten
van mijn broer (Joop †) of
mijn zus (Mieneke):
- Lenie Fakkeldij
- Rietje Hoogerwerf
- Stella Krabbenbos
- Saskia Robbers
- Rob Krook
Verder staat me nog een naam "Lenie Spaargaren" bij, die ik met
de Pieter Oosterleeschool associeer. Maar niemand heeft dat nog
kunnen bevestigen.
En of Rietje Hoogerwerf dezelfde is als op het Hervormd Lyceum
(zie verderop) is ook nog steeds een open vraag.
Van de school en de omgeving kan ik me nog wel het een en ander
herinneren:

De naam van de school stond in fraaie smeedijzeren letters tussen
ook smeedijzeren ornamenten boven de ingang van het gebouw, en op
een houten bordje achter een van de ruitjes in de voordeur stond
wat voor school het was: "P. Oosterleeschool voor Christelijk
Lager Onderwijs".
Jarenlang leek het erop of die fraaie letters waren weggehaald,
want er zat op die plaats een lelijk wit bord met de nieuwe naam
van de school ("De Kleine Prins", voor Zeer Moeilijk Opvoedbare
Kinderen), maar de ornamenten zaten er nog wel. In 2013 bleek dat
bord verwijderd te zijn en bleken de oude letters er gelukkig nog
steeds te zitten - het wezenloos lelijke bord had er alleen
maar overheen gezeten en in volle Amsterdamse-School-glorie stond
er weer, net als vroeger, "P. Oosterleeschool". Sinds 2016 heet de
school overigens Rembrandtparkschool, al staat de historische
naam "P. Oosterleeschool" nog steeds fier boven de ingang die,
net als het interieur, in stijl behouden is gebleven. Dat heeft
er alles mee te maken dat de school een gemeentelijk monument is
(inderdaad: sinds 2013).
In de grote, hoge lokalen stonden ijzeren kachels die 's winters
met turf werden gestookt. En dan waren er natuurlijk de "grote"
bruine schoolbanken - helemaal van hout uiteraard ;, met
middenvoor in het blad de inkpotjes met schuifdeksels. In de eerste
klas waren die de eerste tijd verboden terrein: we moesten het doen
met griffel en lei en we konden er alleen maar verlangend naar uitzien
dat we "echt" met (kroontjes)pen en inkt mochten gaan schrijven.
Dat was een glorieus moment: "Zo kinderen, vandaag gaan we met inkt
schrijven; schuif het deksel van je inktpotje maar open en doop je
pen erin, maar let op:
niet verder dan tot aan het gaatje!".
Ook de eerste klas: de tijd van de onsterfelijke "aap, noot, mies"
leesplankjes.
Aan de overkant van de school was "de katholieke school", zoals
we die noemden. Als de deur van die school openstond kon je in
de gang een heel groot beeld zien staan. Fascinerend en tegelijk
wel raar, want "bij ons hoorde dat niet". Ik herinner me nog goed
dat er een klein meisje was in een stralend witte jurk en dat ze
door een hele horde leerlingen van onze school werd omgeven, uit
pure nieuwsgierigheid. Dat maakte het kind zo bang dat ze in een
portiek van de broederschool probeerde te verstoppen. Ik had toen
toch wel meelij met haar. Pas later begreep ik dat ze naar haar
eerste communie ging, een begrip dat wij helemaal niet kenden.
Uiteindelijk werd ze, na ingrijpen van een van de meesters van
onze school, met rust gelaten. Bijpassend bij dat rooms-katholieke
geheel was een klein winkeltje, "Stella Maris", met allerlei
"rooms-katholieke (of beter: prullaria) op de hoek van de
Orteliusstraat en de Postjesweg.

Aan de Postjesweg was een imposante rooms-katholieke kerk
(Sint-Augustinuskerk, gebouwd in 1931/32, gesloopt in 1977,
wat toch eigenlijk wel zonde was), met daarvoor een heel groot
trottoir en een brede weg; of eigenlijk meer een plein, want de
weg liep dood tegen het talud naar de Sloterpolder met daarlangs
de Orteliuskade op stadsniveau. Verkeer was er toen eigenlijk
niet. Dat en het zeer ruime trottoir voor de kerk, en dan ook
nog vlakbij de Oosterleeschool maakten dat een vaste plek voor
het "speelkwartier". Ik kan me nog goed herinneren dat ik een
keer voor paniek heb gezorgd toen ik aan het begin van het
speelkwartier me geheel verstrooid afvroeg waarom al die kinderen
rechtsaf sloegen (naar het speelplein dus, zoals later bleek),
terwijl ik linksaf sloeg en naar de bus op de Hoofdweg liep en
daarmee naar huis ging. De reactie thuis was natuurlijjk geheel
voorspelbaar: "Wat doe jij hier???". Telefoon hadden we toen
nog niet, maar gelukkig hadden een paar klasgenootjes gezien dat
ik de verkeerde kant op ging, zodat de juf of meester al snel
wist waarom ik "vermist" was, en daar werd het ook meteen aan
"meester Beertema" doorgegeven. Toen vader thuiskwam heb ik
natuurlijk wel wat te horen gekregen...
In - als ik me goed herinner - de tweede klas moesten
we - voor een ouderavond - een toneelstukje opvoeren,
de "bloemenkoningin" of zoiets. Ik moest voor bloempje spelen en
een papieren rokje aan, want ze kwamen meisjes tekort... Grote
goden, dat was me een drama - een jeugdtrauma van de eerste
orde. Pas later realiseerde ik me dat, zeker voor die tijd en
voor een Christelijke school, een toneelstuk over bloemetjes en
bijtjes knap gewaagd moet zijn geweest. ;-)
De verhouding tussen jongens en meisjes lag in die tijd, en zeker
in de lagere klassen, trouwens toch "iets" anders dan tegenwoordig.
Een treffend voorbeeld daarvan staat me nog steeds helder voor de
geest, al kan ik me absoluut niet meer de namen van de betrokkenen
herinneren:
We zaten toen nog in schoolbanken. Netjes verdeeld: jongen naast
jongen, meisje naast meisje. Maar het gebeurde wel eens dat er
tijdelijk kinderen uit een andere klas in onze klas erbij kwamen.
En ja, dan was er wel eens een jongen of meisje "teveel". In het
geval dat ik mij herinner was er een meisje "teveel", en omdat er
in de klas een jongen alleen in een bank zat was hij de "natuurlijk
aangewezene" waar zij dan maar naast moest gaan zitten. Maar nee:
"Naast een meisje zitten?!? Geen denken aan!!". Argumenten als
"In de tram zit een heer toch ook naast een dame" haalden niets
uit. En om zijn standpunt nog eens extra duidelijk te maken legde
hij pontificaal zijn been op de open plaats. Dus moest er een ander
"slachtoffer" gezocht worden. Die was al gauw gevonden: want als
"zoontje van meneer Beertema" mocht ik me natuurlijk niet laten
kennen. Tsja. Dus verhuisde de jongen naast mij naar die andere
bank, het meisje kwam naast mij zitten, ik voelde me flink opgelaten,
maar het is allemaal goed afgelopen. ;-)
De trottoirs bij de school leenden zich prima voor knikkeren.
Een bezigheid die we in die tijd ook met graagte beoefenden was
om bij fietsen stukjes van de handvaten af te pulken en die dan
met een brandglas in de fik te steken. Dat ging perfect, want
die handvaten waren toen van celluloid.
Het "aangaan" van de school en het einde van het speelkwartier
kon je niet missen: dan ging de bel. Dat was een grote koperen
bel aan een zwarte ijzeren stang, die meestal door de concierge
werd geluid; soms mochten een paar leerlingen het doen, en dat
was een hele eer, dus daar werd om geknokt. Niet letterlijk,
want dat mocht niet en het schoolhoofd (van der Togt) was heel
streng.
Achter de school was een binnenplaats. Daar kwamen we eigenlijk
nooit; ik denk dat dat niet mocht vanwege de buren, want die
binnenplaats lag middenin een huizenblok. Er heerste dan ook
altijd een serene rust. Op die binnenplaats stond een enorme
kastanje (twee volgens Jan van den Berg), en als je de school
uit kwam was er rechts achterin een rommelhok waarin onder meer
een grote slijpsteen met een waterbak stond; dat ding boeide me
mateloos, maar ik heb het nooit zien gebruiken en het stond ook
weg te roesten.
Voor de school was de van Middellandtstraat. Dat was een heel
kort straatje en als je dat uitliep kwam je op de Orteliuskade,
wat toen het "einde van de wereld" was. Want daar hield Amsterdam
op en daar, in de diepte, lag de polder met tuinderijen, een
wereld compleet verschillend van onze stadswereld. Sinds 1973
ligt daar het
Rembrandtpark.
Op de hoek van de Van Middellandtstraat was het kleine en rommelige
"bruine" winkeltje van Broodwinner, waar ze van alles en nog wat
verkochten, maar waar het ons om ging waren de puntzakjes met
zwart-op-wit (salmiakdrop in poedervorm); heerlijk, maar het
werd altijd een viesbruine, plakkerige kliederboel van jewelste
(wijsvinger in je mond natmaken, in het zakje dopen en dan aflikken).
Van de onderwijzers en onderwijzeressen kan ik me maar weinig
meer herinneren. Alleen de namen van juffrouw de Jong (in die
tijd de "eerste opvang in moeilijke tijden", oftewel de juf van
de eerste klas), juffrouw Fiege, juffrouw Sinner, juffrouw
Houtman, meneer Nak, meneer Meyst en uiteraard het schoolhoofd:
meneer van der Togt, weet ik nog. En vanzelfsprekend natuurlijk
"meneer Beertema", want ja, dat was mijn vader. Wie het boek
"De Rivier" van Willem van Toorn heeft gelezen herinnert zich
wellicht de passages waarin zij figureren.
Overigens woonden zowel van der Togt als Fiege vlak bij ons in
de buurt: in de M.H. Trompstraat, bij de Krommert (ik ben er
trouwens pas veel later achter gekomen dat "Krommert" niet,
zoals ik altijd had gedacht, de aanduiding was voor de bocht
in de Admiraal de Ruyterweg, maar van het onooglijke watertje
dat het restant is van een oude poldersloot daar ter plekke.
De trambaan daar liep over een onder het wegdek en trambaan
verborgen stalen bruggetje en liep aan de westkant dood tussen
de huizen daar aan de Admiraal de Ruyterweg. In dat doodlopende
stuk stond het water dus stil, en het kon daardoor ongenadig
stinken. Het heeft tot 1959 geduurd tot de Krommert werd gedempt,
waarna de bewoners eindelijk van de stank waren verlost. Ook het
stuk water tussen de M.H. Trompstraat (waar het hoofd en
enkele leerkrachten van de Pieter Oosterleeschool woonden) werd
gedempt en omgedoopt tot speeltuin (die 's avonds met hekken
werden afgesloten. Vanaf de Krommert richting stad kwam het
tramspoor eerst samen met het stadstramspoor van/naar de Jan
Evertsenstraat. Vanwege het verschil in spoorbreedte (1 m
voor de NZH-trams, 1,435 voor de stadstram) werd het spoor
van daar tot aan het eindpunt van de NZH-trams in de Spuistraat
drierailig uitgevoerd. De boveneiding eindigde oorspronkelijk
net voor de Wiegbrug, omdat men in die tijd geen oplossing had
voor bovenleiding op de brug, vooral tijdens het open zijn van
de brug. Om dit probleem te omzeilen en de tram stroomloos de
brug te laten nemen, werd als oplossing "met volle kracht een
aanloop nemen, dan stroomloos over de brug en na de brug weer
de stroom erop. Dat ging nogal eens mis, waarna de tram van de
brug gesleept moest worden. Pas later is een echte oplosssing
bedacht, waarbij de rijdraden tot dicht boven het brugdek
omlaag hingen.

Terzijde: in een klein deel van de portieken aan de westzijde
van de Admiraal de Ruyterweg zit een fraai tegeltableau, zoals
dit. Ze zitten er al zolang ik weet, en in die portieken zitten
ze behoorlijk beschermd, maar of ze de tand des tijds zullen
overleven is nog maar de vraag. Restauratie, zo die ooit nodig een
mocht blijken, zal naar alle waarschijnlijkheid een kostbare
zaak worden.
Van de Pieter Oosterleeschool zijn helaas maar heel weinig foto's
overgebleven. De foto's links en midden - met mijn vader resp.
moeder als onderwijzer(es) - zijn daar
hoogstwaarschijnlijk
genomen (de huizen op de achtergrond zijn vrijwel zeker huizen aan
de van Spilbergenstraat). En alleen op de foto rechts - van
een schoolreisje - staat een groot aantal (9) leerkrachten
van de Pieter Oosterlee. Mijn vader (achteraan) is herkenbaar aan
de sigaret in zijn mond. Daar was hij aan verslaafd en hij rookte
ze ook thuis, waar de kinderen bij waren, maar dat gold als normaal
in die tijd. Hij rolde ze zelf, met vloeitjes en tabak uit een
pakje A! (spreek uit: A-één). Ik haalde ook wel eens
een pakje tabak voor hem. Dat was erg makkelijk, want de winkel
was aan de Adm. de Ruyterweg, schuin tegenover ons huis. Na heel
veel aandringen van mijn moeder., die een hekel had aan dat vieze
gedoe (de rooklucht ging ook hardnekkig in de vitrage zitten) is
hij uiteindelijk overgestapt op pijproken, nog wel met een filter
in de steel. Die filters hebben hem uiteindelijk de schellen van
de ogen doen vallen, want bij vernieuwen kwamen ze pik- en pikzwart
van de teer uit de steel. Toch heeft het roken hem uiteiiiindelijk
de das omgedaan: hij overleed aan kanker, nog geen 64 jaar oud.
Mijn moeder heeft hem 28 jaar overleefd.
Van mijn klasgenoten van toen weet ik - behalve de paar namen
die ik hierboven heb genoemd - eigenlijk nauwelijks meer iets:
Met Attie Verburg ging ik nog wel eens mee. Hij speelde accordeon,
wat ik toen nog prachtig vond. En knap. Zijn ouders hadden een luxe
banketbakkerij / chocolaterie aan de Hoofdweg, vlak om de hoek
van de Postjesweg, en direct daarnaast ook een dameskledingzaak.
Mijn moeder was gek op blonde Greetje, maar ik vond er maar weinig
aan. Ria Ruisaard (één van de 3 zusjes Ruisaard die op de
Pieter Oosterlee hebben gezeten) daarentegen vond ik het liefste
meisje. Maar daar is het bij gebleven. ;-) Paula heb ik jaren later
weer teruggezien, toen we tot ons beider verrassing in dezelfde klas
van het lyceum (Christelijk Lyceum West, toen nog een gevestigd in
een bouten noodgebouw) kwamen te zitten. Paula was kennelijk een
sportief type, die in de jaren '60 topbasketbalster was, blijkens
dit verhaal
van een sportjournalist en neef van haar.
Tot slot was er een klasgenoot waarmee ik nog wel eens optrok, maar
van wie ik (ook al) de naam kwijt ben. Die jongen was een aartsfantast:
hij beweerde dat hij eens "alle banden van een vrachtwagen lek had
gemaakt door er scheermesjes voor te leggen". Een brutaaltje was
het ook: als we over de Hoofdweg liepen belde hij bij willekeurige
etagewoningen aan, om na het opendoen met een variant op een destijds
populaire reclameslagzin hard naar boven te roepen: "Mevrouw, hebt
u het al gehoord? Vim krast en kan niet schuimen!".
Tot eind juni 1954 hebben we in de Roelantstraat gewoond, daarna zijn
we naar Nunspeet verhuisd ("speelruimte voor de kinderen,, gezonde
boslucht"). Daar hebben we 3 jaar gewoond, met vlak achter ons
een heuvellandschap - fantastich voor kinderen, maar jaren later
is dat landschap afgegraven om plaats te maken voor industrie... Mijn
vader ging daar aan de ULO lesgeven. Hoewel het er goed was voor de
kinderen, bevallen deed het wonen daar mijn ouders allerminst, vooral
door het karakter van de dorpssamenleving, die uiteraard ook in de
school sterk aanwezig was. . Al na drie jaar zijn we terug naar
Amsterdam verhuisd. Mijn vader, die graag schilderijen maakte, heeft
het bestuur van de ULO daarbij een stevige poets gebakken: hij gaf
het bestuur een schilderij cadeau van het Veluws landschap, maar met
een grote donderwolk erboven. Het schilderij werd in dank aanvaard,
maar toen hem naar de betekenis van dat lich/donker werd gevraagd,
was zijn antwoord: dat mooie, lichte landschap is de Veluwe; en die
donkere lucht erboven is jullie loodzware geloof, dat als een
een inktzwarte donderwolk boven die lieflijke Veluwe hangt. Daar kwam
geen reactie op...
Mijn herinneringen aan de Pieter Oosterleeschool hebben tot reacties
van een aantal oud-P.O.'ers geleid. Lenie Geerlings-Fakkeldij,
Jan van den Berg, Jaap Zwart¹), Ed Koopal, Corry Damman-Ruisaard,
Ria Hikke-Ruisaard, Jan Overdijk, Greet Lens Buhrer-Tavenier en Greetje
Beekman hebben mij aanvullingen, correcties en soms ook foto's gestuurd.
Enkelen van hen hebben een uitgebreider verhaal gemaakt van hun
herinneringen aan de Pieter Oosterlee en me dat toegestuurd. Die
persoonlijke verhalen heb ik - uiteraard met hun toestemming -
op een aparte pagina gezet.
Veel later is er een heel bijzonder contact tot stand gekomen met een
echtpaar waarvan beiden op zowel de Magalhaensplein kleuterschool als
de Pieter Oosterlee hebben gezeten, alleen enkele jaren eerder dan ik:
Ali v.d. Water en Kick (Chris) Koldewijn. Ali bleek een tuindersdochter
te zijn uit de Sloterpolder achter de Orteliuskade. De
elektrische overhaal/scheepslift in de Postjeswetering,
waarvan ik het bestaan nooit heb geweten, tot het te laat was en hij was
afgenboken. De reden is eenvoudig: het lag buiten het gebied waar ik van
de lagere school uit kwam.. Die overhaal, achter de Ambachtsschool, wist
ze zich nog heel goed te herinneren, want zoals ze schreef: "daar moest
onze schuit dagelijks overheen gehaald worden, als de groenten naar de
veiling werden vervoerd. Tijdens de vakantie mocht ik altijd mee."
25 jaar Pieter Oosterleeschool

In 1955, bij het 25-jarig bestaan van de school, is er een bijzonder
Rapportenboekje uitgebracht, met daarin van elke onderwijzer(es)
een karikatuur. Zelf had ik het helaas niet meer. Daarom riep ik
lezers hier op om, als ze dat boekje nog hadden, contact op te nemen.
De kans achtte ik vrijwel nul. Maar toch, na ruim 10 jaar (!)
kreeg ik een verheugend bericht: oud-P.O.'er Frank van Bronkhorst
liet me weten dat hij het nog had. Een scan ervan staat nu op deze
site: klik op de afbeelding. Met heel veel dank aan Frank voor het
hiervoor beschikbaar stellen van dit unieke boekje.
Opmerkelijk is dat volgens dit boekje en volgens sommige bronnen de
school in 1930 is gesticht, terwijl diverse andere bronnen vermelden
dat het
schoolgebouw aan de Orteliusstraat in 1931 is opgeleverd.
Mogelijk is de school
als onderwijsinstelling, welke uitging
van de '"Vereeniging tot stichting en instandhouding van Chr. scholen
te Sloterdijk" te Amsterdam West', tijdelijk - tot het schoolgebouw
in gebruik kon worden genomen - ondergebracht geweest in een andere
school van dezelfde Vereeniging.
Tot slot een opmerking:
Op deze pagina hebben eerder foto's gestaan waarvan ik dacht de dat ze
op de Pieter Oosterlee waren genomen. Uit nader onderzoek is echter
gebleken dat ze moeten zijn genomen op de Jan de Liefdeschool in
Amsterdam (nu buurtcentrum De Boomsspijker), waar mijn vader in 1933
als onderwijzer is begonnen en tot zeker 1939 of 1940 heeft gewerkt
("kwekeling met akte" heette dat toen, wat een eufemisme was voor hard
werken maar slecht betaald krijgen). Omdat er mogelijk nog lezers zijn
die belangstelling voor die foto's is heb ik ze op deze site laten staan:
Jan de Liefdeschool
foto1 -
foto2 -
foto3 -
foto4 -
foto5.
| lagere school {2} |
(Stationslaan, Nunspeet)
1954-1955
Hiervan staat me eigenlijk niets meer bij. Ik kon me ook nog maar
twee namen herinneren: Jannie Blom en Annie Hulsman, maar die zaten
niet bij mij, maar bij mijn broer en zus in de klas. Annie's ouders
hadden een tabakszaak op de hoek van de Dorpsweg en de Laan.
Het enige schoolgebeuren - als je dat al zo kunt noemen -
dat me bij staat is dat er een keer voor een paar schoolklassen een
film zou worden gedraaid in "de zaal van Krol". Nu was een film al
heel wat in die tijd, zeker in Nunspeet. Maar die film bleek een
diavoorstelling te zijn, en de "zaal van Krol" een schuur van een
boer in het dorp...
Maar door die namen is het onwaarschijnlijke gebeurd en ben ik in
contact gekomen met Jannie. En zij kon me aan andere namen helpen,
vooral ook dankzij een krantenknipsel met de namen van geslaagden
voor het verkeersexamen. Hopelijk komen uit dit lijstje weer meer
contacten voort:
- Jannie Blom
- Ineke Bosman
- Annie Hulsman
- Rina Kluinhaar
- Jansje van Olst
- Marrigje Vlijm
- Maas Hopman
- Aart Koster
- Jan Mulder
- Dicky Stapel
Schoolhoofd: Hogeweg
|
|
|
| lyceum {1} |
Christelijk Lyceum Harderwijk
(Stationslaan, Harderwijk)
1955-1956
- Judith van Mierlo (2e rij, 3e van links)
- Henk Leemans (achterste rij, rechts)
- Flip Boot
|
|
|
Nauwelijks herinneringen meer. Op bovenstaande drie na weet ik ook
geen namen van klasgenoten meer, en al evenmin van leerkrachten.
Eerste rij, 3e van links op de foto ben ik zelf.
| lyceum {2} |
Christelijk Lyceum West
(Jan Tooropstraat, Amsterdam)
1956-1957
Rector: Tollenaar
Zoals gezegd lag de Pieter Oosterleeschool destijds aan de rand van
de stad. Jaren later is het achterliggende polderland opgespoten voor
de bouw van de nieuwe wijken Geuzenveld, Slotermeer, Overtoomse Veld
en Slotervaart. In die zandvlakte, "in the middle of nowhere", vlakbij
de Ringdijk, stond een houten noodgebouw waarin het Christelijk Lyceum
West was gehuisvest.
Vanwege de korte tijd dat ik daar gezeten heb, heb ik er heel weinig
herinneringen aan. Wel dat "slootje dempen" in de pauzes een favoriete
bezigheid was. Die slootjes dienden overigens voor de afvoer van het
water waarmee het opspuitzand werd aangevoerd.
Van Jan Fey herinner ik me dat hij voortdurend bezig was "machines"
te tekenen: de meest ingewikkelde contrapties van tandwielen, raderen,
trechters, enz., zonder enige aanwijsbare functie of doel. Jan was ook
de uitvinder van het "snafdiertje". Wie weet leest hij dit nog wel
eens...
Van deze school heb ik geen enkele foto overgehouden.
Later kwam ik er achter dat twee van mijn collega's op het Mathematisch
Centrum / CWI - Jan Kok en Chester Thomson - ook "rond mijn
tijd" op het Christelijk Lyceum West hebben gezeten.
| lyceum {3} |
(Brahmsstraat, Amsterdam)
1957-1963
De nummers geven fotonummer / nummer op foto aan
- Alie Loos (1/7, 3/3)
- Anke Smit (1/24)
- Annemarie Jansen (1/8)
- Ay Lan Tjoa (2/21, 4/9)
- Connie Kutsch Loyenga (2/4)
- Cora Hoogewoud (2/2, 4/5)
- Els Eijlander (2/8, 4/2)
- Gerdie Duijker (3/2)
- Heleen Stulen (1/18)
- Heleen Witvliet (2/3)
- Ineke Scholten (2/10, 3/18, 4/4)
- Jeannette Moolhuizen (1/23, 5/11)
- Jenny Stegeman (1/21, 3/16)
- Marchien Schaap (3/11)
- Marijke Kraayenhof (2/24, 3/13, 4/1)
- Marja van Rijswijk (1/9, 5/6)
- Marjan Hiemstra (1/10)
- Marjan Sweers (2/17, 3/20, 4/6)
- Marthe Voorhoeve (2/19, 3/12, 4/7) (†)
- Mieneke Beertema (2/20, 3/14, 4/10)
- Rietje Hoogerwerf (1/13)
- Tineke van Beusekom (1/19)
- Toos Peeters (2/6)
- Truus Bosman (1/22, 5/12)
- Bert Samsom (1/14, 5/20) (†)
- Cor Keers (3/17)
- Cor Spreeuwenberg (1/16)
- Hans Glashouwer (2/12)
- Hans Ponse (1/?)
- Henk de Vries (2/13, 3/9, 4/14)
- Herman Geerlings (3/1, 5/17)
- Herman Overweel (3/24)
- Hielke Faber (2/14, 3/23, 4/16)
- Jan Bron (1/17, 5/19)
- Jan de Kater (3/19)
- Jelte Strikwerda (2/7) (†)
- Joe Sioe Liem (2/23, 4/15)
- Johan Baerents (3/15)
- John Admiraal (3/7)
- John Alma (2/9, 3/4, 4/8)
- Johan Vis (1/4)
- Joop Beertema (2/22, 3/10) (†)
- Jord Hoetink (1/11)
- Karel Abma (2/5, 3/5, 4/3)
- Lex Sitter (1/1, 5/14)
- Loek Meijer (1/5, 5/21)
- Luc Stranders (1/vrijwel buiten beeld naast 12)
- Martin Brouwer (1/6)
- Niek van Lingen (1/2, 5/15)
- Paul Voskuyl (3/21)
- Peter Berning (5/4)
- Piet Beertema (1/3, 2/18, 3/22)
- Roger Basart (1/15) (†)
- Theo Schouten (1/20)
- Ton Wessendorf (2/11, 4/13)
- Ton Kosters? (3/24)
- Wichert ten Have (2/1)
- Wim Baerts (2/16, 3/6, 4/12)
- Wim Klein (2/15, 3/8, 4/11)
- Wout Rodenburg (1/12)
Foto's 4 en 5 heb ik van anderen gekregen. Zelf sta ik er niet op,
wel leerlingen met wie ik in een andere klas heb gezeten.
|
|
foto 1: 2e klas?
foto 2: 3e klas?
foto 3: 5e klas?
foto 4: 3e klas?
foto 5: 6e klas 1961
|
Rector: Verboom; later: van Muyden
Conrector: van der Kolk
Concierge: Ringeling
Leerkrachten:
- mw. Engel / Klassieke talen
- mw. Eringa / Frans
- mw. Huisman ("Ihr schlaft, Kinder!!!") / Duits
- mw. Smit / Engels
- van Asperen de Boer ("poepoog") / Scheikunde
- Bouhuijs / Godsdienst
- Breitenstein / Engels
- Carlier ("meneer faftig") / Gymnastiek
- van Duin / Klassieke talen
- Geijtenbeek / Klassieke talen
- Huisman / Klassieke talen
- Janssen / Klassieke talen (foto 2)
- Kuipers ("uche, uche") / Wiskunde
- Leeuwenstein / Aardrijkskunde
- van Lienden / Nederlands
- van Maanen / Tekenen
- Merthens / Muziek
- de Rek / Geschiedenis (foto 3)
- Terwee / Klassieke talen
- van der Velden / Duits (foto 1)
- Verbeek / Nederlands
- Verschoor / Engels
- Vogelensang / Wiskunde
- Vunderink ("puntje verrek") / Natuurkunde
- Weddepohl / Natuurkunde
- ??? / Biologie
Herinneringen
In tegenstelling tot mijn herinneringen aan de Pieter Oosterleeschool
zijn die aan het Hervormd Lyceum sterk fragmentarisch en beperken ze
zich totnogtoe tot flarden van herinneringen aan o.a.:
-
De klasse-avonden bij verschillende leerkrachten, met name die - met
dansen - bij mevrouw Eringa (die toen aan de Stadhouderskade woonde).
De tijd van de plaatjes van de Crystals ("And then he kissed me"), Ronettes,
Troggs, enz., en natuurlijk de befaamde "wall of sound" van Phil Spector.
-
De kleine schoolfeesten in de school, in de hal beneden. Waar je kon
dansen op dixieland-muziek van de schoolband (Chicago Dixieland Pipers,
met Geert van Keulen (klarinet), Martien Dillo (trompet), Hans Dillo
(saxofoon), en een drummer van het Amsterdams Lyceum). Nou ja, dansen...
het was er altijd zo barstensvol dat je je kont amper kon keren, dus
bleef het bij schuifelen. Maarre... ging het vaak eigenlijk niet juist
daarom? ;-)
-
De jaarlijkse grote schoolfeesten in Marcanti aan de Jan van Galenstraat,
waar tegen de buitenmuur, een fraai beeldhouwwerk was bevestigd van een
volledig naakte vrouw en idem man, "met alles d'ropen d'ran".
Dat dat zo mocht in die tijd, zo aan de openbare weg, was best bijzonder,.
Het schoolfeest en dansen was op de verdieping, en met de toen voor de
meisjes vooral bij dansfeestjes gebruikelijke wijde rokken was het devies
voor de jongens: "niet omhoog kijken", temeer daar de trap naar de
verdieping een open trap was. Uiteraard hielden alle jongens zich er
keurig aan; nou ja, zo'n beetje... Strings waren er in die tijd overigens
nog niet. Natuurlijk waren er ook meisjes die veel vrijer waren en zich
op hun eigen manier kleedden, vooral gericht op "meisje versiert jongen"
sex-appeal.
Pas veel later (2026) hoorde ik, in een uiterst boeiende
conversatie met
De Westkrant
meer over Marcanti. Ook tijdens het dansen op de schoolfeesten werd
toezicht gehouden: als een jongen en meisje te close "dansten"
(onderlijf tegen onderlijf gedrukt, borst tegen borsten, hij zijn
handen op haar billen, zij met haar armen om zijn nek hangend, en
zo samen ultrakorte pasjes makend om het in elk geval nog een beetje
op dansen te laten lijken, het geheel bekend als "seksueel schuifelen"),
dan werden ze door sommige toezichthouders al vrij snel op de schouder
getikt en gingen ze "netjes dansend" verder. Nou ja, voor even dan...
Andere toezichthouders waren overigens ruimer van opvatting. En bij
de meisjes waren er die, ook al moesten ze op zo'n feestavond netjes
gekleed gaan, zich maar al te goed uitdagend wisten te gedragen.
-
Uiteraard staan me nog de meisjes bij die korter of langer mijn vriendinnetje
zijn geweest - al dan niet alleen in mijn eigen perceptie of (ook) in
die vananderen. ;-) Van hen heeft alleen Ay Lan altijd een bijzondere
plaats in mijn herinneringen gehouden. Met haar heb ik vanaf ±2000
nog af en toe contact gehad.
-
De dagelijkse "stille omgang": de pauzes waarin we ons dienden te
verpozen middels een wandeling die beperkt moest blijven tot de
trottoirs naast en achter de school.
-
Het napraten na schooltijd. Altijd kleine groepjes, vaak dezelfden.
Fietsen uit de stalling (ging het hek op slot?), met de fiets aan
de hand nog een tijdje napraten, en dan naar huis.
-
De waardeloze natuurkunde"lessen" van Vunderink. Wat hebben we een
geluk gehad dat natuurkunde werd uitgeloot als eindexamenvak...
-
De "deftige" - of bekakte - mevrouw Smit. Toen ze een keer
bij ons thuis kwam hield ze haar hoed op - dat scheen bij een
"dame" te horen. Maar goed lesgeven, dat kon ze!
-
Juffrouw Engel, een mooie, sexy vrouw die van die kwaliteiten graag
gebruik maakte. Ik zat in de klas in de op één na
voorste bank, middelste rij, en vaak ging ze zo richting klas op het
schrijfblad van de voorste bank zitten dat ze ons "enig inzicht" gunde.
Ik vond het altijd een nogal gênante vertoning.
-
De altijd vriendelijke meneer Geijtenbeek. Werd door iedereen op
handen gedragen. In schrille tegenstelling daarmee die andere leraar
klassieke talen, meneer Janssen, wie het niet gegeven was orde te
kunnen houden.
-
De gloeiende uitbrander die Wim Baerts van van Asperen de Boer
kreeg toen hij het, net voordat de eerste scheikundeles begon,
bestond om zomaar op eigen houtje Een Raam Te Openen: "Wie heeft
jou toestemming gegeven om dat raam te openen, huh?! Eigengereid
stuk meubel!!!".
-
De keer dat Henk de Vries tijdens de gymnastiekles bij de oefeningen
aan de ringen feilloos het verkeerde moment voor de afsprong koos,
op de grond kletterde en zijn pols brak.
-
De zeiltochtjes op de (Amstelveense) Poel. Mijn broer en zus zullen
nooit het tochtje vergeten waarbij hun boot door een stuurfout omsloeg.
De Poel was ondiep en modderig, dus ze roken verre van fris toen ze
thuiskwamen...
-
Een fietstocht met de hele klas naar de Kennemerduinen en de Ruïne
van Brederode. Ik heb er nog foto's van.
-
De diavoorstellingen die van Asperen de Boer af en toe gaf in de aula.
Prachtig zoals die man kon fotograferen!
En zo nog veel, heel veel meer ...
In de jaren dat deze pagina online staat heeft hij op het "HLZ-front"
best al wat opgeleverd:
-
Met Ay Lan, Joe Sioe, Jenny, Wichert, Toos, Niek, John Alma, Luc
en Peter Berning ben ik weer in contact gekomen; met name Ay Lan
en Niek hebben voor flink wat correcties en aanvullingen op de
namenlijst gezorgd en Niek ook voor aanvullingen over de schoolband.
-
Heel bijzonder was de mail die ik in 2017 van Luc Stranders kreeg:
hij bleek degene te zijn die op foto 1 zo goed als helemaal
buiten beeld valt. Dat kon hij zich nog goed herinneren en ook zijn
trui herkende hij nog op de foto...
-
Naar Peter Berning heb ik heel lang moeten zoeken. Toen ik eenmaal
contact met hem had klikte het meteen, en het werd ook nog eens een
gouden greep. Want Peter bleek nog een boekje over het HLZ te hebben:
"Klassenboek 1934-1996", met de namen van alle examinandi uit die
jaren. Aan de hand daarvan kon ik te langen leste een paar bij de
foto's nog steeds ontbrekende namen aanvullen en andere corrigeren,
maar het ging me te ver om het te gebruiken om de "herinnerings-
namenlijst" te completeren.
-
Door dat Klassenboek zit ik nu overigens wel met een vraagteken. Want
daarin staat bij mijn eindexamenjaar (1963) een naam "Gerda Scheltes",
en die naam zegt me helemaal niets. En Alie Loos ontbreekt, ook bij
latere eindexamenjaren. Toch ben ik er zeker van dat nr. 3 op
foto 3 Alie Loos is. Wie lost dit raadsel voor me op?
Van degenen die hier genoemd staan en die zich ook op de voormalige
oudleerlingen site van het HLZ hadden aangemeld, heeft helaas niemand
ooit gereageerd op mijn via die site verstuurde mailtjes. Maar wie
weet lezen ze dit nog eens...
-
Van verschillende van mijn oud-klasgenoten weet ik dat ze inmiddels
zijn overleden, sommigen veel te jong. En ja, onontkoombaar zal dat
ook voor mij gaan gelden.
Door puur toeval ben ik heel veel later, na mijn pensionering, toen
ik als technisch vrijwilliger bij het oude Haarlemmermeer-stoomgemaal
de Cruquius (niet meer onder stoom draaiend, maar elektrisch-hydraulisch
bewogen) werkte, in contact gekomen met Ay Lan's zus Yoe Lan, die
als rondleider met een groep de Cruquius bezocht.
| aanvulling en later |
In mijn jonge/schooljaren heb ik, voor mijn plezier en uit nieuwsgierigheid,
veel fietstochten door heel het oude Amsterdam gemaakt, behalve dan in
Amsterdam-Noord. Lopend ging ik er wel eens heen. Nou ja, lopend... dat
was amper lopen te noemen. Bijv.:
-
Met de IJ-pont van achter het Centraal Station naar de overkant, dan een
stukje lopen naar de schutsluis (Willem I-sluis) van het Noord-Hollandsch
kanaal (lopend naar Den Helder, aangelegd begin 19e eeuw, en daar een hele
tijd zitten kijken naar het schutten van de schepen. Pas tussen 1824 en
1876 werd het Noordzeekanaal gegraven, omdat daarvoor de duinenrij moest
worden doorgraven die het land beschermde tegen de Noordzee.
-
Met het veerbootje (gratis) naar Nieuwendam en dan daar een stuk rondlopen
in het kleine, maar leuke dijkdorp (genoemd naar een nieuw aangelegde dam
na de doorbraak van de zeedijk in 1516..
-
Met het veerbootje (gratis) naar Schellingwoude en ook daar rondlopen.
Nooit heb ik destijds kunnen bevroeden dat daar bij Schellingwoude, bij
de Oranjesluizen, ooit een stoomgemaal heeft gestaan. De Oransjesluizen
waren, net als de IJmuider sluizen, bedoeld om indringing van het zoute
water van de Zuiderzee resp. Noordzee te voorkomen.

Van mijn contact bij De Westkrant hoorde ik ook iets anders dat ik
eerder nooit heb geweten: dat het beeldhouwwerk aan de buitenmuur
de titel "Danspaar" droeg en in 1956 door
Cephas Stauthamer
was gemaakt. De naam "Danspaar" is natuurlijk best bijzonder, want het
was, zeker in die tijd, toch bepaald niet gebruikelijk om letterlijk
piemelnaakt te dansen. Nou ja, behalve misschien op toneel en podia in
theaters en clubs in de rosse buurt. En ja, dat was wel de buurt waar,
aan de Oudezijds Voorburgwal, Cephas Stauthamer op een van de voormalige
tabakszolders zijn atelier had.
Marcanti is in 2023 afgebroken, maar de beeldengroep is eerst met grote
zorg van de muur afgehaald en daarna opgeslagen, met de beoeling dat hij
later een muur van de nieuwbouw zou sieren. Begin 2026 was nog niet bekend
om welke nieuwbouw het zou gaan (Marcanti College?) en wanneer het Danspaar
een muur daarvan zou sieren.
Tegenover Marcanti lag een groot driehoekig terrein, omsloten door
de Jan van Galenstraat, de
Kostverlorenvaart
en het Westelijk Marktkanaal, met daarover de Jan van Galenbrug.
Oorspronkelijk lag op dat terrein de stadsvuilnisbelt. Daarom
kreeg de (bascule)brug daar in de Jan van Galenstraat, over de
Kostverlorenvaart, net voor de aftakking van het Ooselijk
Marktkanaal, de toepasse;ijke naam "Beltbrug". De belt is later
afgegraven, waarna het terrein werd geëgaliseerd en met een
laag sintels bedekt. Op dat sintelveld vond daarna de jaarlijkse
kermis plaats. Het terrein kreeg daarom de naam "Kop van Jut",
naar een
traditionele kermisattractie
"voor sterke kerels". Later werd er op het terrein een woonwijk
gebouwd. Alle straten in die wijk dragen de naam "Marcanti". En
zo leeft een roemrucht verleden voort.
Al schrijvende aan deze pagina kwamen nog allerlei herinneringen
bovendrijven. In het scholenverhaal zijn die niet echt relevant, maar
ik noem toch één herinnering: iedere zondag gingen pa en
ma met ons naar oma in de Van Oldenbarneveldtstraat, warbij we elke
keer ook langs Marcanti kwamen. En door de brede Frederik Handrikstraat.
En juist in die straat werd de eerste gelede tram getest. Dat ging er
heftig aan toe, met op maximum vermogen optrekken en noodstops. De blauwe
Amsterdamse stadstrams waren in vergelijking met deze tram maar gezapige
dingen. Interessant waren ook de proeven met de vangbeugel: een
vooronder aan de tram hangende beweegbare beugel, die moest voorkomen
dat iemand die per ongeluk voor de tram ten val kwam, door de tram werd
vermorzeld: de vangbeugel klapte tegen de ongelukkige aan, draaide
daardoor naar achteren en stelde al het remvermogen van de tram, met
de wielremmen, railremmen (ijzeren blokken die tegen de rails werden
gedrukt) en zandstrooiers (om de wrijving tussen de rails en de wielen
en blokken te vergroten) in werking. Als passagier moest je je dan
wel heel goed vastgrijpen om niet de hele tram door naar voren te
worden geslingerd.
Speciaal voor met name de optrekproeven, waarbij de motoren enorm veel
stroom trokken, was de bovenleiding, die overal in Amsterdam enkeldraads
was, boven één van de sporen dubbeldraads gemaakt, uiteraard
met bijpassend grotere stroomtoevoer. Na het Frederik Hendrikplantsoen
gerond te hebben reed de tram over het andere spoor, met enkeldraads
bovenleiding, terug naar de remise.
| naschrift |
Ik denk dat we blij mogen zijn - ik ben het in elk geval wel -
dat we onderwijs hebben genoten in een tijd dat dat nog "ouderwets" goed,
met discipline, werd gegeven en klassikaal ging. Blij dat we de school
hebben kunnen afmaken voordat de afbraak van het onderwijs werd ingezet.
De afbraak die begon met de Mammoetwet en die daarna middels allerlei
"vernieuwingen", bedacht door politici met slechts oog voor scoren op de
korte termijn, in versneld tempo is voortgezet. Afbraak onder het mom
van "verbetering", met als gevolg dat kinderen van nu zoiets basaals
als de grammatica en spelling van het Nederlands niet of nauwelijks
meer beheersen.
Hoe diep kun je als natie zakken? Maar niet alleen het onderwijs wordt
gesloopt: de spelling treft hetzelfde lot, met 'dank' aan een club als
de "Taalunie", die een gecomputeriseerde spelling erdoor drukt die zoiets
als taalgevoel ongewenst maakt en uiteindelijk de nek omdraait. Spelling
met o.a. de beruchte tussen-n-regel, de "regel met honderd uitzonderingen"
en de absurde misogyne regel dat vrouwelijke beroepsaanuidingen niet meer
mogen - een regel die vaak een belachelijk tekstbeeld oplevert,
waarin een vrouw a) een mannelijke beroepsaanduiding krijgt, b) ze soms wel,
soms weer wel met "zij" en "haar" wordt benoemd, c) toch ook nog, kennelijk
als het echt niet anders kan, met "vrouw" wordt aangeduid. Dat alles leidt
tot een warrig misogyn rommeltje. Waar vrijwel alleen de mannelijke vorm
wordt gebruikt, wat dan eufemistisch als "genderneutraal" wordt verkocht
en door de overheid als officieel wordt erkend.
wat overigens ook gezegd kan worden van de website van de zogeheten
"Taalunie", een organisatie die de officiëele goedkeuring van de
overheid heeft, een overheid die zodoende al even misogyn is. En het
is die spelling die op scholen moet worden en wordt onderwezen. Geen
wonder dus dat jongeren zo slecht zijn in Nederlands. De benaming
"Wartaalunie" zou dan ook veel toepasselijker zijn voor de organisatie.
Daarnaast is er in de geheel gecomputeriseerde spelling geen enkele
ruimte meer voor voor zoiets nuttigs als "fuzzy logic" en logisch
denken geen plaats meer, omdat die in kan gaan tegen de dogma's. Voeg
daarbij de even verslavende als debiliserende "smart"phones, zogenaamde
"social" media, desinformerende wezenloos kakelende websites (ook op
medisch of pseudo-medisch gebied - bijv, over de door Arjen Lubach
zo hilarisch beschreven "crianio-sacrale resonantie") - en aan
het wezenloze gekwebbel van extremistische groeperingen en politieke
partijen, en het is duidelijk waarom Nederland steeds verder achterop
raakt in de wereld.
Is het echt allemaal zo negatief geworden? Niet alles gelukkig. Nog steeds
zijn er weldenkende mensen, die niet als kippen-zonder-kop achter de domme
massa aanlopen. Of juist andersom: meisjes die je juist als "influencer"
van alles wijsmaken en voor het grote geld gaan - in elk geval tot
de belastingdienst achter ze aankwam. Kortom, Maar er is nog hoop. In elk
geval een beetje.
| ter afsluiting |
-
Het einde van mijn zoektochten
Veel van de genoemde oud-klasgenoten zullen niet meer in leven zijn.
Het is echter door allerlei latere ontwikkelingen (mobietjes, strakke
maatregen op het gebied van privacy, zoeken waarbij je tegen steeds
meer rectricties/blokkades oploopt, enz. hebben het zoeken naar het lot
van oud-klasgenoten ondoenlijk gemaakt, reden waarom ik met dat zoeken
(en vanwege mijn leeftijd) daarmee ben gestopt. Ik ben er zeker van dat
achter een aantal van hen, en zeker de leerkrachten - en steeds meer -
(†) zou moeten staan. Het zal echter duidelijk zijn dat dat
niet meer gaat gebeuren. Het werk is leuk geweest, maar het is toch echt
achter de rug, en mijn leven misschien ook. Dat leven was in menig opzicht
goed, maar aan alle goede dingen komt nu eenmaal een eind. Maar is het
niet leuk voor nabestaanden en - al dan niet verre - verwanten,
en natuurlijk [nageslacht van] verre familieleden, om dit te lezen en
de foto's te zien?
-
In dierbare herinnering: Karin Spaink
De meeste mensen hebben al dan niet hard gewerkt, ze gaan dood en alleen
directe en verdere familie, en een vriendenkring weet ervan. Sommige mensen
hebben ook nog wat voor de maatschappij betekend, en dan bedoel ik niet
om geld en macht te verzamelen. Maar er zijn maar heel weinig mensen die
veel, heel veel hebben gepresteerd in en voor brede delen van delen van en
groepen binnen de maatschappij. Tot die categorie hoorde nadrukkelijk Karin
Spaink.
Karin was lesbiënne en feministe in hart en nieren. Een categorie die
zich in een populische maatschappij maar het best gedeisd dan houden en in
feite maar het best ondergronds kan gaan. Voor het eerst hoorde ik van haar
tijdens de bezetting van de abortuskliniek Bloemenhove in Heemstede door een
groot aantal activisten, om zo te voorkomen dat de politie de kliniek zou
binnenvallen en ontruimen, na de ongeautoriseerde, eigengereide poging van
de toen steil-roomse minister van justitie van Justitie (!) Dries van
Agt, een bezetting die zo'n succes was dat geen agent zich in de kliniek
waagde; de politie had overigens zelf ook sterke twijfels over het optreden
van van Agt.
Karin heeft in haar leven een waslijst aan lichamelijke problemen ondervonden,
zoals een hersenbloeding, borstkanker, multiple sclerose, die een tijd zo goed
als weggeweest is, maar daarna verpletterend terugkwam.
Ze is Parool-columniste geweest, en in die tijd schreef ze meer dan 1000
columns, over privacy, seksuele diversiteit en feminisme. Ze heeft een
jarenlange strijd met de Amerikaanse Scientology "kerk" gevoerd over haar
publicatie van stukken uit wat daar "geheime stukken" heetten waarop zij
alleen het auteursrecht hadden, een strijd die ze na vele jaren van
procederen heeft gewonnen, nadat Scientology had opgegeven, kennelijk toen
het inzicht eindelijk was doorgebroken dat hun claim geheel volledig op
drijfzand berustte.
Ze was oprichtster van Bits of Freedom, die zich inzet voor digitale
burgerrichten. Ik ben daarvoor zelf ooit een keer jurylid geweest. Ook
is zij, met Rejo Zenger e.a., bestuurslid van Spamvrij.nl geweest.
Ter gelegenheid van de afscheidsreceptie bij mijn pensionering en vertrek
van het CWI had ik ook Karin als gast uitgenodigd. We hebben toen een
boeiende en heel plezierige conversatie gehad, waarbij de klik die wij
hadden nog eens werd bevestigd; later zouden we elkaar nog veel vaker
(telefonisch, Signal) spreken, en telkens was er diezelfe klik. Later
kwam zij als eindredactrice bij de nieuwswebsite voor financieel-economische
onderzoeksjournalistiek Follow The Money (FTM), waar zij eindredactice werd.
Wat later begon de MS, waar ze een hele tijd nauwelijks meer last van
had gehad, ondraaglijk weer op te spelen. Ik prijs mezelf gelukkig dat
zij juist in die tijd, ondanks de zware ongemakken, een keer bij mij is
geweest. Het uit en weer in de auto stappen was trouwens bepaald niet
eenvoudig, want zelfs een lichte aanraking om haar een beetje te helpen
ondersteunen, en ze kromp door de MS ineen van de pijn. Maar al met al
hebben we een hele tijd fijn zitten praten. En weer was er die klik en
die brede belangsteling; wederzijs overigens. Kortom, een onvergetelijke
ervaring, misschien juist ook omdat ik wist dat het met haar een aflopende
zaak zou zijn.
Ondanks al haar fysieke ongemakken was Karin een zeldzaam actieve, boeiende
en vooral ook sympathieke vrouw, met een sprankelende geest. Ze had ook
een duidelijk vast kenmerk: ze liep altijd in rood, ook als het visueel
alleen maar rode kenmerken, zoals bijv. manchetten waren.
Na dat laatste afscheid, bij mij thuis, mailde ze me een bijzondere mail
met daarin "Weet dat je me dierbaar bent". Zoiets raakt je en het was
wederzijs. Het is een herinnering die ik zou koesteren en bewaren, zolang
mijn eigen leven nog zou duren.
Op 8 mei 2026 overleed ze, 68 jaar oud, zelfgekozen, door euthanasie,
na een worsteling van vele, vele jaren met haar slechte gezondheid,
maar na in die jaren veel, heel veel bereikt en goeds gedaan te hebben.
Juist daarom en vanwege haar fysieke problemen, en doorzettingsvermogen
ondankt alles, heb ik van dit stukje een lang stuk gemaakt. Heel bewust
en met veel waardering en diep respect.
Karin, je beproevingen zijn voorbij. Rust in vrede. Je blijft in veler
gedachten.
-
Maar laten we de anderen niet vergeten
Laten we, na dit lange stuk over Karin, niet over het hoofd zien dat er
meer bijzondere vrouwen en mannen zijn. Mensen die in hun maatschappelijk
excelleren of zich bijzonder inzetten. Ik denk dan bijv. aan mensen in de
thuiszorg, die hun werk niet als een strikt negen-tot-vijf baantje zien en
dan meteen afnokken, de van hun zorg afhankelijken half of helemaal niet
verzorgd achterlatend ("vijf uur, geen tijd meer"), maar gewoon doorgaan,
ook "buiten tijd", tot ze hun werk af hebben.
Of mensen die een (flink) deel van hun vrije tijd opofferen om kinderen te
begeleiden bij allerlei activiteiten, monumenten in stand of draaiend te
houden, daar bezoekers te ontvangen - voor veel kleine monumenten, die
door domme regels of overdreven eisen niet voor subsidie in aanmerking
komend - of bij de vrijwillige politie of brandweer werken. Enzovoorts.
-
En dan is er beslist ook de negatieve kant
Dan hebben we het over al die lieden, mannen en vrouwen, die alleen met
eurotekens in de ogen lopen, op steeds andere en hogere baantjes jagen,
puur om het grote geld, en dat dan naar een belastingparadijs brengen.
En natuurlijk al die figuren, die een op zichzelf zinnig doel najaren,
maar met volstrekt onzinnige en contraproductieve methoden, zoals het
blokkeren van verkeer, het zich vastlijmen aan het wegdek en door de
politie weg laten dragen - te lui om te lopen dus, maar het gaat
ze dan ook alleen om het pesten, en - en met een paar raddraaiers
die erbij zijn of zich tussen hen voegen - relschoppen.
| reageren |
Jammmer maar helaas: reageren, bijv. met commentaar, correcties of
aanvullingen, of een verzoek om contact, is door wat eufemistisch als
"persoonlijke omstandigheden" kan worden aangeduid, alsmede door de
status
van deze site niet meer mogelijk.
graag wil ik al diegenen bedanken die hebben bijgedragen aan het verbeteren
en meer compleet maken van deze oud-klas/schoolgenoten pagina's