| waarschuwing |
Op een aantal plaatsen op deze pagina uit ik over uiteenlopende
zaken mijn
strikt persoonlijke mening. Die zal sommige
bezoekers misschien niet bevallen. Gezien de
status van deze site
doen die er dan het beste aan om deze site meteen te verlaten.
In fysieke ("stenen") archieven gaat men immers ook niet aan,
om maar een dwarsstraat te noemen, werk van Leonardo da Vinci,
Geert Mak of Jan Wolkers zitten veranderen, laat staan ze
weggooien. En Leonardo is al eeuwen niet meer te bereiken en
ook nooit digitaal bereikbaar geweest. Laat het overigens
duidelijk zijn dat ik mezelf beslist niet met de genoemden
zou willen of durven vergelijken.
| historie |
In genealogisch zin kun je zeggen dat ik van Duitse afkomst ben.
althans héél in de verte. Want mijn verst bekende
voorouders kwamen rond 1600 uit Duitsland: de man van Nesserland,
een eiland dat voor Emden in de Dollard lag, tussen twee takken
daarvan in; de vrouw uit Dersum, niet ver van de grens tussen
Groningen en Duitsland. Ze ontmoetten elkaar - waarschijnlijk
meermalen - in Blijham (ham = inham, haven(tje)) - gelegen
aan de Westerwoldse Aa - in Oost-Groningen, en bereikbaar over
land en over water (vanaf de Dollard). Blijkbaar hadden ze zo'n
klik dat ze daar in 1626 zijn getrouwd en kindertjes kregen.
In die volgorde, zoals het in die tijd hoorde (op andere plaatsen,
en zeker in latere tijden, was die volgorde nogal eens anders,
en het kwam vooral op de Veluwe voor dat een meisje eerst "proeve
van vruchtbaarheid" moest leveren door seks in een hooiberg;
slaagde ze niet, dan werd ze slachtoffer van een wrede en
weerzinwekkende praktijk: er werd een bos dode takken aan de
oordeur van haar ouderlijk huis gebonden, waardoor ze voor
iedereen duidelijk zichtbaar te schande stond, en voor jongens
die een meisje zochten om mee te trouwen en kindjes mee te
krijgen een waarschuwing dus: ga aan dit huis voorbij.
Maar ja, "Duitse afkomst"? Dit is bezien vanuit het perspectief van
de 20
e/21
e eeuw. Maar in de periode rond 1600
was er nog geen Duitsland, maar het Sacrum Imperium Romanum (Heilige
Roomse Rijk), en was er het opgekomen protestantisme en de machtsstrijd
tussen het protestantisme en het rooms-katholicisme, uitmonden in de
Dertigjarige Oorlog (1618-1648). Wie er meer van wil weten kan
deze webpagina
als startpunt nemen. Interessant daarin is "de periode waarin de
landheer zou bepalen welke religie zijn onderdanen zouden aanhangen".
Iets dat in feite in andere vorm in sommige landen ook/weer in de
20
e/21
e eeuw zou gelden; of omgekerd: wat de
onderdanen
niet zouden mogen aanhangen. We hebben het dan niet
alleen over een religie, maar ook over een ideologie. En ook over
landen die dat in een ander land dwingend op willen leggen.
Maar mijn verre voorouders waren dus op tijd naar Groningen gegaan,
waar zo'n dwang vermoedelijk niet bestond (maar waarschijnlijk wel
vanuit de samenleving). En wie weet bestond het gezegde "Er gaat
niets boven Groningen" toen al. :-)
Wie dat allemaal, en veel meer, leest, en kijkt naar de latere
ontwikkelingen, in het bijzonder de jaren 2020 en verder, die moet
wel tot de conclusie komen dat de Latijnse soortnaam voor de mens:
homo sapiens (de verstandige mens), volkomen misplaatst is en iets
als homo stultus (dom, stompzinnig) zou moeten zijn. Want geen
andere diersoort deed en doet zo zijn best om Planeet Aarde en alle
leven erop volledig uit te roeien, pakweg 5 miljard jaar voordat
de natuur, door het opgebrand raken van de zon, daarvoor zorgt.
De naam Beertema stamt uit 1811, toen Napoleon had verordonneerd dat
iedereen die geen achternaam had er een moest kiezen. De naam is
afgeleid van de plaatsnaam Beerta, waar de eerste man was geboren
die de nieuwe achternaam zou gaan dragen. Zijn broer koos de naam
Stel. De families Beertema en Stel zijn dus geparenteerd, maar ik
heb naar de Stel tak nooit verder onderzoek gedaan.
Wat Nesserland betreft: de tak van de Dollard tussen het eiland en
Emden was al ondieper dan de andere tak en raakte geleidelijk aan
dichtgeslibd. Open houden ervan door itbaggeren *handmatig!) werd
uiteindelijk te duur en ook niet meer zinvol geacht omdat de andere
tak veel beter was en veel minder onderhoud vergde. Die tak voerde
dan ook meer en meer de hoofdmoot van de scheepvaart over de Dollard.
Uiteindelijk is Nesserland deel van het vasteland geworden en bij
Emden gevoegd. In Emden herinnert de straatnaam Nesserlander
Straße in het havengebied er nog aan het voormalige eiland.
Na dit verhaal maken we een enorme sprong in de tijd: naar 1883.
In dat jaar werd mijn grootvader geboren, in Kropswolde (Gromingen).
Na zijn huwelijk in Slochteren werd in 1914 mijn vader geboren, in
Siddeburen (gemeente Slochteren). Dat er heel veel later onder
Slochteren een gasbel zou worden gevonden, die achtereenvolgens
groot, heel groot, enorm, en tenslotte gigantich zou blijken, kon
uiteraard niemand toen nog bevroeden. Dat die gasbel zogezegd
"Nederland en daarbuiten zou verwarmen" en welvaart zou brengen
al evenmin. En uiteindelijk een ramp voor Groningen zou worden
in de vorm van bodemdaling, verzakkende huizen, scheurende muren,
en een ettelijke miljoenen kostende hersteloperatie zou vergen,
dat was meer iets uit griezelverhalen.
Opm.
Wie wil weten hoe de Dollard is ontstaan komt van een koude
kermis thuis: het enige dat zeker is over het ontstaan ervan
is dat dar eigenlijk niets met zekerheid over bekend is.
Speculaties en theorieën erover zijn er wel, maar blijf
het dan wel bij. Meer informatie op
Wikipedia.
♦ O P G R O E I E N ♦
| jeugd |
Toeval bestaat. Mijn grootouders (vaderskant) en hun kinderen
zijn uit Groningen naar Amsterdam verhuisd. Mijn grootvader
was, net als meer in zijn familie, onderwijzer, in die tijd
een notabele. Mijn moeder is in Amsterdam geboren. Haar vader
heeft ze eigenlijk nooit gekend, en ik dus ook niet, want
hij is al vroeg overleden. Jongen en meisje zijn daar naar
toevallig deelfde kweekschool gegaan, en ze kwamen ook nog
in dezelfde klas. Mar het duurde heel lang voordat het tussen
die twee echt klikte. Dat leidde tot, zoals dat in die tijd
ging, een langdurige verloving voordat ze uiteindelijk in
1940 trouwden.
Overigens moest in later tijden de benaming "kweekschool",
net als die van andere scholen, worden opgewaardeerd, en werd
het "pedagogische academie". Tsja... De kwaliteit veranderde
ook, maar wel in negatieve zin. "Elke verandering is nog verbetering"
luidt terecht het spreekwoord.
Na hun huwelijk zijn ze komen wonen in de Roelantstraat 4 ³
in Amsterdam. Na de daarvoor gebruikelijke pret en inspanningen ben
ik in dat huis geboren, later gevolgd door mijn broertje en nog weer
later mijn zusje. Het was heel vroeg op 22 oktober 1943, in het
holst van de nacht, dat mijn moeder mij uit haar vagina perste, gedreven
door die even natuurlijke als onweerstaanbare kracht waar alleen een
vrouwenlichaam over beschikt. Alle cellen van mijn lijfje zaten al
vol met die microscopisch kleine energiecentrales, mitochondriën
geheten, die uit een speciaal DNA (mDNA) van mijn moeder waren gemaakt.
Mannen, en dus ook mijn vader, hebben daar part noch deel aan. Ze
hebben wel diezelfde energiecentrales, maar die zit in de staart van
hun spermacellen en de geproduceerde energie wordt opgebruikt voor
het voortbewegen ervan, op de verhoudingsgewijs lange zoektocht naar
een eicel.
Een leuke anecdote, gehoord van mijn ouders: toen ik 2 jaar was
ben ik een keer dronken geweest. Het was na een verjaardag. Ik was
een tijdje alleen gelaten in de kamer, en mijn ouders vonden daarna dat
ik me zo vreemd gedroeg. Even ruiken: alcohol! Al rondtrippelend
had ik een vinger in alk van de lege glaasjes gestoken, want die
roken blijkbaar lekker, en daarna in mijn mond gestoken. Maar ja, in
al die glaasjes zat nog een bodempje drank, dus...

Op de veel later gemaakte foto, toen we al kleuters waren, zijn we
- al dan niet speciaal voor de fotograaf - met zijn
drieën aan het spelen op de veranda aan de achterkant van
het huis. Dat het huis best al wel oud was (bouwjaar 1912) en
niet al te goed onderhouden (huurhuis) is wel te zien.
Vanaf het balkon aan de voorkant keken we v.l.n.r. op de Admiraal
de Ruyterweg en daarachter De Rijpgracht, op de sportvelden
(later grotendeels bebouwd) aan de Joos Banckersweg, en op de
Erasmusgracht. Aan de overkant van de Erasmusgracht lag, voorbij
de sportvelden, het Jan van Galenpark (eerst "woest en ledig",
later een echt park), dat later is omgedoopt in Erasmuspark.
In de Roelantstraat hebben we de
februaristorm van 1953
nog meegemaakt. Voor ons kinderen was het loeien van de storm meegemaakt,
vooral; 's nachts ronduit beangstigend. De Roelantstraat fungeerde
als een soort windtrechter: fietsers op de Admiraal de Ruyterweg die
de Roelantstraat overstaken werden met fiets en al omvergeblazen.
In Zeeland en op de Zuid-Hollandse eilanden leidde de combinatie van
zware noordwesterstorm en springtij ("hooghoogwaterspring") en de nog
open zeegaten tot een watersnoodramp van ongekende proporties, met op
heel veel plaatsen dijkdoorbraken, waardoor de polders onderliepen tot
nokhoogte van de huizen - een plek waar veel mensen hun toevlucht
hadden gezocht - en met in het rampgebied zo'n 2000 doden door
verdrinking. Deels was dit hoge aantal overigens ook te wijten aan
"Hilversum", de nationale radiozender. want klokslag 12 uur
's nachts werd het Wilhelmus gespeeld, een ellenlang, vreselijk
archaïsch lied dat toen, en misschien nog steeds, voor "volkslied"
doorgaat, nog nooit geactualiseerd is - of nog beter: door een
ander,
echt volkslied is vervangen. Wat het vooral doet is
detoneren in de latere situatie. Of is er werkelijk nog iemand in
Nederland die de koning van Spanje eert, of - zelfs na de twee
wereldoorlogen - van Duytschen bloed is? Hoewel... genealogisch
kan het voor een (misschien best groot) aantal mensen kloppen, maar
we hebben toch ook de Inquisitie afgeschaft? Moet het dan Diets zijn?
Maar nee: dat is alleen maar een benaming waarmee de oude
Middel-Nederlandse regio-talen werden aangeduid. Ook al bepaald niet
iets hedendaags dus.
We hadden het hiervoor over de watersnoodramp in 1953 en het einde van
de dag (als 24-uurs periode). En over de radio die uiterst waardevolle
- informerende en levensreddende - hulp had kunnen geven
tijdens die rampnacht. Maar nee: strikt volgens voorschrift werd om
twaalf uur 's nachts de zender uitgeschakeld. Dat zich toen al een
ramp van epische proporties aan het voltrekken was, land werd verzwolgen
en mensen en dieren verdronken, zelfs dat vermocht niet de radiobazen op
andere gedachten te brengen, de radiozender door te laten gaan met
uitzenden en dus met informeren, doorgeven en zodoende helpen). Regels
zijn tenslotte regels, en daar zijn we in dit land sterk in. Negeren
ervan, en dan bijv. informatie en sturing kunnen geven aan de piloten
van verkennervliegtuigen en helikopters die met gevaar voor lijf en
leden in de razende storm boven de overstromende gebieden door bleven
vliegen en redders coöordineren, had veel mensen in nood het leven
kunnen redden. Maar ook vee van onderlopend land naar vaste grond kunnen
meelokken of jagen. Maar ja, regels...

Over de Admiraal de Ruyterweg reed in die tijd nog de "Blauwe Tram",
in twee soorten: de "Kikker" (Spuistraat - Sloterdijk) en de "Haarlemse
tram" (Spuistraat - Sloterdijk - Haarlem - Zandvoort).
De Kikker was een hele oude tram: een Métallugique van begin
jaren 1900. Ze hadden een beperkt vermogen, en als de bestuurder niet
goed oplette en te snel optrok, dan volgde een vast ritueel: de tegen
het plafond van het voorbalkon gemonteerde maximaal-automaat schakelde
uit, de bestuurder draaide eerst de rijkruk naar nul en deed een greep
omhoog naar de kruk van de maximaalautomaat om die weer in te schakelen.
Je wende eraan, maar vermakelijk was het wel. Overigens reed er ook
een Métallugique als stadstram met sleepbeugel tussen Sloterdijk
en het Haarlemmermeer en Nassauplein, waar een kopstation was (de
rails eindigden vlak voor een groot gebouw). Achteruitrijden kon met
een sleepbeugel niet - om terug naar Sloterdijk te kunnen rijden
moest eerst het "beugelzwaaien" worden uitgevoerd (beugel aan touw
omlaag trekken, dan lopend een halve slag draaien en tenslotte rustig
het touw laten vieren totdat het sleepstuk van de beugel weer tegen de
bovenleiding drukte. Die trams waren al erg oud, het spoor was oud en
niet echt recht meer, dus de tram schudde tijdens het rijden als een
bezetene, en dat zo vlak langs het water... wat je noemt een een nogal
beangstigende ervaring.

Van de Haarlemse tram waren er twee uitvoeringen: het type "Beynes"
van de firma
Beijnes
in Haarlem, en het type "Boedapester" van de firma
Ganz
in Boedapest. Zie ook de webpagina
Tramarchief: De tramlijn Amsterdam-Haarlem-Zandvoort, of
nog beter: bezoek het NZH Vervoermuseum. Daar staat ook een geheel
gerestaureerde Boedapester opgesteld (helaas alleen een bijwagen;
van de motorwagen is geen enkel exemplaar bewaard gebleven).
Persoonlijk vond ik de schonkige Boedapester het mooist, omdat hij
zo'n kracht uitstraalde. Menigmaal zijn we met die tram naar Zandvoort
geweest. Maar nooit is het me toen opgevallen dat er in het plaatsje
Halfweg, waar de tram een halte en een opstelspoor had, een echt,
werkend stoomgemaal was, terwijl je dat toch vanuit de tram kon zien.

Maar ja, er was afleiding: de tram reed daar "zwevend" over een breed
water (Zijkanaal F, naar ik later leerde), en niet over een
"echte" brug, maar over "alleen maar een paar ijzeren balken", en
dat was natuurlijk heel erg spannend en ook een beetje beangstigend!
En uitgerekend daar, bij Stoomgemaal Halfweg dat ik vroeger vanuit
de tram niet zag, zou ik in 2010 vrijwilliger-conservator-techneut-ict'er
worden... In tegenstelling tot de Cruquis werkte dat gemaal nog wel
onder stoom, zij het dat het geen water meer afvoerde, maar puur ter
demonstratie rondpompte. De tram was toen al meer dan 50 jaar
eerder opgeheven en de trambrug gesloopt. Dat geldt overigens niet
voor de oude treinbrug waarover de allereerste spoorlijn (1839) van
Nederland, met de stoomlocomotieven "Snelheid" en "Arend", tussen
Amsterdam en Haarlem reed, met een duizelingwekkende snelheid van
maar liefst 38 km/u, veel sneller dan de oude, maar wel
comfortabele trekschuit (7 km/u) en de paardenkoets (14 km/u).
De sluisjes zijn gelukkig, na heel veel discussie, bewaard gelkeven
en staan op de gemeentelijke monumentenlijst, evenals de brug waarover
de al genoemde eerste stoomtrein van Nederland reed (eerst smalspoor,
later normaalspoor). Wel wordt/is er door Rijnland in het oostelijk
eiland van het sluisjescomplex een extra doorvoer gemaakt, voor een
betere afvoer van water vanuit de Ringvaart en dus vanuit de
Haarlemmermeerpolder.
Mijn vader - na de kweekschool begonnen aan de Jan de Liefdeschool -
was in die tijd onderwijzer aan de Pieter Oosterleeschool, (de naam
die in fraaie gesmede letters stond was "P. Oosterleeschool") en ook
al was het behoorlijk ver van ons huis (zo'n 2 km), het lag
toch voor de hand dat de kinderen daar ook heen zouden gaan. Dat
gebeurde dus ook. Ons vervoermiddel naar school was wat toen nog
"autoped" heette (en nog geen rem had...).
In die tijd kon dat nog, want auto's waren een zeldzaamheid, en je kon
als kind een - toen al - brede straat als de Hoofdweg nog
oversteken zonder de kans platgereden te worden door zo'n opgevoerde
elektrische "fatbike" of of zo'n SUV waarmee ouders later hun kinderen
van 200 meter ver naar school meenden te moeten brengen. Later
gingen we met de autobus, zo'n geval met een enorme kast voorin waar
"Kromhout" op stond en waar de verre van stille motor in zat, met opzij
een hele lange versnellingspook. Die kast fungeerde ook als tafel voor
de buskaartjes en het geld.
Naar de Pieter Oosterleeschool ging ik ook vaak via de Admiralengracht.
Begin jaren '50 werden daar opeens op de wallekanten, een stuk boven
het water, op paaltjes staande
kademuurtjes
gebouwd (rechts zichtbaar) die nergens voor leken te dienen, maar die
later verband bleken te dienen als nieuwe kademuur na met de verhoging
van de waterstand in de gracht (en in de Erasmusgracht) van polderpeil
(NAP -2,10) naar stadspeil (NAP -0,40) i.v.m. de bouw van de
Westelijke Tuinsteden.
Ik heb toen ook één of tweeeen par stenen ervan mogen
metselen. Pas veel later begreep ik dat ik met mijn ongeschoold metselwerk
een uiterst kleine - maar door de metselaar wel goedgekeurde! -
bijdrage had geleverd voor de ontpoldering van de Sloterpolder, maar dus
ook voor de onteigening van de tuinders daar. Aan het eind van de
Erasmusgracht, vlakbij de Joos Banckersweg, werd een eenvoudig pompstation
van golfplaat gebouwd, met een dikke ijzeren buis onder de Roelantstraat,
de Admiraal de Ruyterweg (onder de tramrails door), en De Rijpstraat, om door
de kademuur van De Rijpgracht heen onder stadsniveau in het water uit te komen.
van De Rijpgracht (onder water (stadspeil), dus onzichtbaar). Mijn jongere
broertje, nogal een waaghals, is destijds in de gegraven gleuf gevallen en
klem komen te zitten tussen buis en gleuf, wat voor nogal wat paniek zorgde,
maar met de nodige hulp en moeite is hij is er veilig uitgetrokken. Later
is het pompstation vervangen door net bouwwerk, midden in het water. Ik
heb dan ook reden om aan te nemen dat het nog steeds gebruikt vordt om
overtollig regenwater uit de tuinsteden naar De Rijpgracht, en daarlangs
uiteindelijk naar buiten, naar het IJ, het Noordzeekanaal en zee. Voorbij
de Jan van Galenbrug, die ooit als vuilstort diende, later is opgeruim,
waarna er de jaarlijkse kermis plaatsvond, om uiteindelijk bebouwd te
worden. De bebouwingsobsessie heeft ook de
houtzaagmolen De Otter
(1631) pal aan de Kostverlorenvaart, even ten noorden van de Beltbrug,
getroffen: door de toenemende benouwing kon hij niet of nauwelijks meer
wind vangen en begon hij tekenen van houtrot te vertonen, maar de gemeente
wilde hem hoe dan ook
daar als monument laten staan en hem beslist
nier naar een andere, qua wind gunstiger plaats verplaatsen. Maar ja, de
gemeente Amsterdam heeft wel vaker domme dingen gedaan, en dat zal wel
zo blijven.
Overigens was de oudste broer van mijn moeder, als werknemer bij Groenpol
(Groeneveld en van de Pol, later Getronics) betrokken bij het onderhoud
van de machinerie van de brug, maar helaas heb ik er nooit een kijkje in
de machinekamer mogen nemen ("te gevaalijk bij die grote en zware onderdelen,
hoge spanningen, en hoog-vermogen elektromotoren die het grote, brede en
loeizware brugdek op en neer draaiden (de brugklap werd overigens door een
even zwaar contragewicht, gevormd door een in tegengestelde richting d
draaiend verlenngstuk van de blugklap, omhoog gehouden en tijdens het
draaien volledig in balans. Alleen voor het starten van de opgaande en
neergande beweging van de brugklap was extra (mechanische en elektrische)
energie nodig. Veel energie,omdat het om een grote massa ging, zeker als
er een flinke laag sneeuw op het brugdek lag.
De (toen nog) fraaie draaibare zware plaatijzeren hekken (acht in totaal)
de rijweghelften en trottoirs (die over de trottoirs werden altijd als
laatste gesloten, want voetgangers zijn nu eenmaal niet zo snel. Het
sluiten en openen van de hekken was een mooi gezicht: de brugwachters
hadden er zo'n vaardigheid in verworven dat ze ze precies zo'n zet
gaven dat ze met wat licht geklonk in hun grendelhaken vielen. Die
fraaie hekken zijn later vervangen door de bekende lelijke dunne
rood-witte elektrische slagbomen. Gelukkiig is van de oude sluithekken
een exemplaar bewaard gebleven op het terrein van het gemeentemuseum
van Amsterdam aan de Zaanstraat; het is het beroemde en veruit mooiste
gebouw in Amsterdamse School stijl.

Het stond op
misschien 200 meter lopen vanaf het huis van mijn grootouders
van vaderskant, maar ik heb noch hen noch mijn vader er ooit over
gehoord, terwijl er in hun tijd een postkantoor in het blok was
gevestigd en men in die tijd alleen via brieven en (brief)kaarten
communiceerde en ook pakjes stuurde, vooral met familie en bekenden
in Groningen. Dus het kan eigenlijk niet anders dan dat grootvader
meer dan eens in dat postkantoor is geweest. Maar misschien had hij
het daar nooit over omdat het te werelds en "overdadig" was voor het
zwaar gereformeerde karakter van het deel waar hij woonde; dat dat
deel van de woningbouwvereniging "Patrimonium" ("Vaderlijk Erfdeel")
was zegt waarschijnlijk al genoeg). De anecdote gaat dat als je iemand
vroeg waar hij woonde, en hij antwoordde "Welzalig hij die in der
bozen raad", dan wist een geestverwant meteen dat hij aan Zaanstraat
woonde, want met die woorden begint Psalm 1.
De huizen in de Zaanstraat zijn later horizontaal gesplitst, wat het
later teruvinden van de oude nummers erg lastig maakte. Wat hielp was
een foto gemaakt tijdens de splising, waarbij naast een protiek zowel
het oude lage nummer als de hoge nieuwe nummers zaten.
Als we via de Spaarndammerstraat naar de Zaanstraat liepen (wat we
meestal deden, want via de Zaanstraat was wat langer), dan kwamen we
langs de nog vrij "gewone" zijde van dat blok in de Amsterdamse School
stijl. Waren we via de Zaanstraat gelopen, dan hadden de het veruit
mooiste deel van dat blok, in de meest pure en extravagante uitvoering
van die stijl, met geen mogelijkheid kunnen missen.
Het verbaast me nog steeds dat mijn vader ons kinderen nooit op dat
prachtige gebouw heeft gewezen en er nooit eens expres met ons langs
is gaan lopen. Je kon het toen alleen niet van binnen bezichtigen,
want tot 1999 was het postkantoor; pas veel later kreeg het de naam
Museum Het Schip, naar de vorm van het gebouw.

Kenmerkend voor de Amsterdamse School zijn vrij hoge en spitse
siertorens. De combinatiefoto hiernaast geeft een goed beeld van
zo'n toren van buiten binnen en van binnen (met een wirwar van
verstevigingen, want de binnenruimte diende verder nergens toe.
Het blok aan de Zaanstraat lag, aan het begin waarvan onze grootouders
(van vaderskant) woonden. De reden waarom we nooit via de Zaanstraat
naar hun huis liepen is ons nooit verteld, maar is waarschijnlijk dat
het vanaf het Nassauplein naar het begin van de Zaanstraat korter
lopen was via de Spaarndammerstraat dan via de Zaanstraat (waar een
bocht in zat waar hij overging van parallel aan de spoorlijn naar
weglopend ervan).
Als alternatieve route liepen we ook wel vanaf Sloterdijk via de
smalle, pittoreske en kronkelige Spaarndammerdijk (het toen daaraan
gelegen Petruskerkje met kerkhof staat er anno 2026, gerestaureerd
en fraai opgeknapt, nog steeds). Vanuit opa en oma's hui keken we
op achtereenvolgens een kaal terrein, waar later het Brediusbad zou
komen, het spoor, en daarachter een lijnwerkplaats voor het spoor.
Als we naar mijn grootouders in de Zaanstraat gingen, dan praatte
mijn vader en mijn opa altijd Gronings met elkaar, en dat deden
ze duidelijk met plezier. En ik luisterde geïnteresseerd toe,
al begreep ik niet veel van wat ze zeiden. Heel veel later zag
ik een documentaire "Dienstmeisjes voor dag en nacht" op tv, en
ik was meteen geïnteresseerd. De uitzening was ondertiteld
met daarin het Gronings dat de geïnterviewden spraken naar
Nederlands was vertaald. Volkomen begrijpelijk, maar ik vond het
wel jammer, want ik had het idee dat ik het Gronings best wel
kon volgen. Gelukkig kon je in die tijd nog eenvoudig de makers
achterhalen en contact met ze opnemen. Desgevraagd waren die
bereid om een aparte set dvd's zonder ondertiteling voor me te
branden. Toen ik ze in huis had en afspeelde, was ik eigenlijk
hoogst verbaasd dat ik na al die jaren en met die heel beperkte
"blootstelling" aan het Gronings, alles zo goed kon volgen.
Zo was ik echt een leuke ervaring rijker! Maar ja, toen ik tot
de categorie "ouwe sokken" ging behoren, bleek de basis toch te
zwak en kon ik het gesproken Gronings niet of nauwelijks meer
volgen. Dat vond ik best wel jammer, maar ja, het was niet anders.
Of zoals de Groningers het zeggen:
't was naait aans.
En over Gronings gesproken: Groningen is uniek in de zin dat het
de enige provincie is met een volkslied waarvan de tekst in de
streektaal is geschreven: het
Grönnens Laid.
Heel veel later, toen mijn vrouw en ik een fietstocht maakten
door Amsterdam, langs de mij van vroeger bekende plekken, dus
ook de Zaanstraat, "ontdekte" ik dat bijzondere gebouw gebouw,
dat toen (sinds 2001) museum Het Schip was geworden. (Het hele
gebouw bleek overigens al zo te heten sinds de bouw in 1920).
Vanuit het huiskamerraam van mijn grootouders keek je op een groot
driehoekig kaal veld, waar later het Brediusbad zou komen, dan op
de spoorlijn - met daaraan een NS lijnwerkplaats - die
naar de draaibare Hembrug over het Noordzeekanaal leidde. De Hembrug
was een van de weinige bruggen waarvoor het treinverkeer moest stoppen
en wachten. En dat kon wel even duren als er een groot schip de brug
moest passeren en de brug weer was dichtgedraaid en vergrendeld was.
In 1983 is de brug vervangen door de Hemtunnel, waarmee een eind kwam
aan dat stoppen en tevens aan ontwrichting van de brug doordat schepen
er tegenaan voeren. Vanuit het raam de andere kant opkijkend had je
zicht op de Houthavens, een gebied met afwisselend water en dammen.
Op die dammen stonden loodsen van open lattenwerk waar de wind dus
doorheen kon waaien. In de loodsen lag tropisch hardhout opgeslagen
met tussenruimten tussen de balken in elke stapel. De doorstromende
wind zorgde voor het noodzakelijke drogen van het hout. Later zijn
de loodsen verdwenen en is er bebouwing voor in de plaats gekomen.

Mijn vader gaf naast "gewoon les" ook Engels en Frans (Frans is altijd
zijn grote liefde gebleven; hij heeft er tot kort voor het eind van zijn
leven les in gegeven, zelfs nadat het officieel geen verplicht vak meer
was nadat minister Jo Cals het hele onderwijssysteem had "vernieuwd"
(lees: gesloopt). Ook gaf hij wat toen "handenarbeid" heette, en tekenen.
Bekend waren zijn tekeningen van kinderen op het schoolbord.
Handenarbeid was naast een wchoolvak ook zijn grote hobby, die hij zowel
thuis beoefende als buiten schooluren in het handenarbeidlokaal op school
mocht beoefenen. Hij heeft zo ook heel veel speelgoed voor zijn kinderen
gemaakt, waaronder een heel natuurgetrouw "kind-groot" model van een
"Boedapester" tramdeel (één van de twee types van de Blauwe
of Haarlemse tram die via de smalle binnenstraatjes van haarlem verder
via de duinen naar het eindpunt reed: Zandvoort, waar een grote opstel-
en wachtplaas was lakbij het strand; op zomerse dagen zaten die trams
altijd barstensvol en bij het eindpunt in Zandvoort stonden altijd
rijen mensen te wachten); naast de opstelplaats was er voor de passagiers
een lange overkapte wachtgang, waarin ze niet aan de brandende zon waren
blootgesteld.
Naast tekenen kon hij zich eindeloos en vol overgave bezighouden met
schilderen; ik denk dat hij er minstens 100 heeft gemaakt en tegen
kostprijs aan familie (ook in bijv. Portland, OR, USA) en andere
geïnteresseerden.
De Boedapester was het zware, schonkige en kracht uitstralende drieledig
tramstel, met de motorwagen in het midden. Als de conducteur tussen het
voorste en achterste wagen zijn kaartknipronde deed moest de deur van het
motorgedeelte even open en werden de passagiers overvallen door een
oorverdovend lawaai. Dat kwam niet, zoals de benaming "motoerwagen"
suggereert, uit dat deel, want alle motoren waren, zoals gebruikelijk
bij trams, om een vlakke binnenvloer te krijgen, in "tramophanging"
gemonteerd (de ene kant van de motor draaiend om een vaste as, de andere
met een zwaar tandwiel en door het gewicht van de motor op de daar ook
van vertanding voorziene wielas drukkend. Dat de motoren echt zwaar
waren behoeft hier geen betoog. Dat het geheel uiterst soepel liep ook
niet. Bij treinlocomotieven was de situatie geheel anders: die hadden
bijv. (1700 serie) 2 manshoge motoren van in totaal 4500 kW.
De Boedapesters
verzorgde samen met de Beijnes stellen de Amsterdam-Zandvoort dienst.
Dat de Blauwe Tram door het gemeentebestuur uit de stad is verjaagd
is alleen maar doodzonde te noemen. Dat de tram geliefd was bij het
publiek bewees wel de enorme mensenmassa die in de Spuistraat afscheid
van de tram kwam nemen bij zijn allerlaatste rit.
Zwaar was de Boedapester zeker, maar voor die tijd ook beslist snel:
op vrije gedeelten haalde hij 60km/h, en dat bij een totaalgewicht van
maar liefst 80 ton! Hij zat dan tegen de top van wat de bovenleiding
aan (gelijk) stroom kon leveren (die gevoed werd via met op diverse
plaatsen langs het spoor staande kwikdampgelijkrichters (grote gesloten
ijzeren vaten met daarin geïsoleerd staande opgestelde ijzeren
schalen gevuld met kwik.
Een sterk staaltje: toen de kinderen kleuters waren vervoerde hij ze
op de fiets: de jongste in een zitje dat aan het stuur hing, de middelste
in een zitje op de horizondale buis, en tot slot mij, in een zitje op
de bagagedrager. Ik moest wel wachten tot hij op het zadel zat, anders
had zijn overzwaaiende been me eraf geschopt... Zijn fiets was een
zware, degelijke herenfiets, zonder versnelling en uiteraard zonder
elektrische aandrijving. En gelukkig ook geen "smart"phone. Kom daar
nu maar eens om...
Ook mijn moeder (ooit begonnen aan de Smalle Padschool (zie opm.) heeft
aan de Pieter Oosterlee lesgegeven. Als invalskracht, wel te verstaan,
bij ziekte, zwangerschap of ander fysiek belemmerend ongemak. Dat heeft
ze zelfs ruim 20 keer gedaan, op diverse scholen. Vaste leerkracht
kon ze niet meer worden, want volgens de toenmalige vrouwonvriendelijke
wetgeving werden vrouwen direct na hun huwelijk handelingsonbekwaam (!)
- behalve voor het produceren, oppassen op, verschonen, voorlezen,
opvoeden en grootbrengen van het kroost gold er voor hen een arbeidsverbod!
Als tijdelijke leerkracht heeft ze op nog heel veel andere scholen lesgegeven,
maar het zou te ver voeren om die - voorzover ik de namen kan terugvinden -
in deze context allemaal te gaan noemen. Dat het er 23 zijn geweest weet ik wel,
want een overzicht ervan heb ik bewaard, al acht ik de kans groot dat dat
na mijn overlijden bij het oud papier belandt.
Mijn vader overleed in 1977, nog maar 62 jaar oud. Ik denk nog vaak
aan hem, al koos hij expliciet voor de vergetelheid: crematie met anonieme
verstrooiing van de as. Mijn moeder overleed in 2005, 91 jaar oud
voor de verstrooing van haar as mocht ik, met toestemming van mijn broer
en zus, de plek kiezen. En dan kan er iets wonderbaalijks gebeurem: je
loopt langs een plek, direct naast een boom, waarvan je zonder aarzelen
meteen zegt:
hier is het, dit is de plek. En net als bij mijn
vader is die plek ongemarkeerd.
Opm.
De naam Smalle Padschool (met een 'thin space' tussen de woorden, zoals op
de foto te zien is, boven de ingang) kan licht de indruk wekken dat die een
"christelijke" achtergrond heeft. Niets is echter minder waar: de school is
genoemd naar het "Smalle pad", het looppad dat daar vroeger vanuit [de
tuinderijen in] de Sloterpolder omhoog naar de stad leidde en waarover de
tuinders (warmoezeniers; vergelijk Warmoesstraat)) hun producten vervoerden.
De Snalle Padschool zelf is een fraai stukje Amsterdamse School bouw, met
veel ornamenten en details (zoals langs de dakrand en de schoorsteenkappen),
en de smeedijzeren cijfers van het bouwjaar 1924). Het is zeer aan te bevelen
om er eens een kijkje te nemen en foto's te maken, liefst niet met zo'n mobiel
flutding dat ten onrechte "smartphone" heet, maar met een echte camera plus
telelens.
Overigens gold het verbod op "ambtelijke" (d.w.z. bij de overheid en daarmee
gelijk te stellen beroepen, zoals in het onderwijs) vrouwenarbeid - ook
voor mijn moeder: de dag na haar trouwen werd zij ontslagen. Het verbod was
trouwens in de wet gekomen op instigatie van en sterke pressie door het
"christelijk" smaldeel in het parlement: volgens hun bekrompen opvattingen
was een getrouwde vrouw eigendom van haar man en hem diende ze dan ook in
alles te gehoorzamen. Alleen op tijdelijke basis - schoolkindertjes
moesten natuurlijk wel les krijgen! - werd oogluikend toegestaan dat
ze werkten, maar ook al was het nuttig en werd het betaald (aan de man!),
het telde toch niet als "echt werk. Voor de rest was haar plaats thuis,
bij de kindertjes. Wel was het haar toegestaan om boodschappen te doen
- tot dat niveau kon de man zich natuurlijk niet verlagen - hij
had wel wat beters te doen... Niet voor niets luidde het oude gezegde "het
enige recht van de vrouw is het aanrecht".
♦ S C H O L E N ♦
| kleuterschool |
Cornelia Boschschool
(Magalhaensplein, Amsterdam)
1947-1948
- [voorste rij, v.l.n.r.]
- naam??
- Zusje Vet
- Joop Hodde (†)
- Carla ? (met pop)
- naam??
- Trudy Kahlé (in kruiwagen)
- naam?? (handen in zakken)
- [tweede rij, v.l.n.r]
- naam??
- naam??
- naam??
- naam??
- naam??
- naam??
- juffrouw Joke ¹)
- Helen Rouwendaal
- [derde rij, v.l.n.r.]
- naam??
- juffrouw van der Meer ²)
- naam??
- Marijke Schensema
- Cor de Pijper
- naam??
- naam??
- juffrouw Joke
- Lia Voortman
- naam??
- [achterste rij, v.l.n.r.]
- Henk Brinkman
- naam??
- Evert Werkman
- Berend Werkman
- Ria Ruisaard
- Willy Groen *)
- Piet Beertema
- Henny Kwaak
- Alex Schelvis
- Chris Bakker
- juffrouw de Knijff ³)
- Willy Boer
- naam??
|
|
|
Van de kleuterschool weet ik vrijwel niets meer. Met Ria Ruisaard zou
ik later, op de Pieter Oosterleeschool, weer in de klas zitten.
De kleuterschool zelf stond aan de Willem Schoutenstraat, maar in
dat gebouw zelf heb ik nooit gezeten, maar alleen in een laag gebouwtje
ervoor, aan het Magalhaensplein, waar toen een paar klassen waren
ondergebracht. Op de foto staan op de achtergrond de Bethelkerk en
de overdekte zandbak.
Bij juffrouw Joke zat ik in de klas. En al kon ze wel eens streng zijn,
ze was een heel prettig, zachtaardige juffrouw. De andere twee juffen
ken ik nog goed van gezicht. De leukste juf vond ik die krullebol rechts
achterin.
Inmiddels ben ik met Willy Groen, Ria Ruisaard en Henk Brinkman in
contact gekomen. Samen hebben ze me geholpen aan flink wat meer
namen van klasgenootjes dan in mijn herinnering waren blijven hangen;
ik heb ze in het lijstje opgenomen. Van de juffrouw met de krullebol
heb ik van Henk de achternaam gekregen, maar ik meen dat we haar bij
de voornaam noemden en dat ze een wat "exotische" voornaam had. Maar
welke, dat weet ik nog steeds niet. Maar wie weet leest een andere
oud-kleuterklasser van toen dit nog eens en kan die me aan die naam
helpen.
Het contact met Ria leverde me overigens een wel heel bijzondere en
volslagen onverwachte verrassing op: van het meisje dat tussen mij
en Ria in staat en waar ik toen toch eigenlijk stilletjes wel een
beetje verliefd op wAS - wat helaas niet wederzijds was -
herinnerde ik me heel lang met zekerheid at ze Lientje Groenewegen
heette. Ik was dan ook meer dan hoogst verrast, om niet te zeggen
verbijsterd, toen Ria me later vertelde dat ik het fout had en dat
dat meisje Willy Groen heette. Het geheugen blijkt maar weer een
raar ding dat feiten na lange tijd flink kan vervormen... Wellicht
dat een ander zo heette en dat mijn geheugen de naam aan dit meishe
is gaan koppelen. En wat er al jong fout in zit kan er heel lang
fout in blijven zitten. Maar goed, het leuke was natuurlijk wel dat
ik daarna, via Ria, ook met Willy in contact ben gekomen.
| ¹) |
"Juffrouw Joke" heette voluit Joke van Steenderen. Ze was rond 1908
geboren; op de foto is ze dus al rond de 40. Ze was liberaal-joods
en had een heel boeiende kennissenkring, zoals beeldhouwer Mari
Andriessen, violist Jo Juda, tekenares Ro Mogendorff (tweelingzus
actrice Do), en Freddy Hamel, dochter van de actrice Lize Hamel.
In de Cornelia Bosch schooltijd woonde ze in de Witte de Withstraat.
Van voor de oorlog zijn enkele brieven van haar bewaard gebleven.
Haar verdere geschiedenis is onbekend.
|
| ²) |
Van Ali v.d. Water, die eerder op deze kleuterschool zat, hoorde ik
dat de voornaam van juffrouw van der Meer Dora was en dat zij hoofd
van de kleuterschool was. Dat laatste kan mogelijk de reden zijn
geweest waarom zij niet "juffrouw Dora" werd genoemd.
|
| ³) |
Van Henk Brinkman hoorde ik dat "die krullebol" van de Knijff heette.
Ik ben nog steeds niet achter haar voornaam kunnen komen, maar volgens
ons allebei was het wel een voor Amsterdamse kinderen exotische naam.
|
| lagere school {1} |
Pieter Oosterleeschool
(Orteliusstraat, Amsterdam)
1948-1954
- Greetje Keizer
- Paula Frugte
- Ria Ruisaard
- Attie Verburg
- Bob Bakvis
- Jan van den Berg (†)
- Menno Staneke
Geen klasgenoten, wel schoolgenoten en waarschijnlijk klasgenoten
van mijn broer (Joop †) of
mijn zus (Mieneke):
- Lenie Fakkeldij
- Rietje Hoogerwerf
- Stella Krabbenbos
- Saskia Robbers
- Rob Krook
Verder staat me nog een naam "Lenie Spaargaren" bij, die ik met
de Pieter Oosterleeschool associeer. Maar niemand heeft dat nog
kunnen bevestigen.
En of Rietje Hoogerwerf dezelfde is als op het Hervormd Lyceum
(zie verderop) is ook nog steeds een open vraag.
Van de school en de omgeving kan ik me nog wel het een en ander
herinneren:

De naam van de school stond in fraaie smeedijzeren letters tussen
ook smeedijzeren ornamenten boven de ingang van het gebouw, en op
een houten bordje achter een van de ruitjes in de voordeur stond
wat voor school het was: "P. Oosterleeschool voor Christelijk
Lager Onderwijs".
Jarenlang leek het erop of die fraaie letters waren weggehaald,
want er zat op die plaats een lelijk wit bord met de nieuwe naam
van de school ("De Kleine Prins", voor Zeer Moeilijk Opvoedbare
Kinderen), maar de ornamenten zaten er nog wel. In 2013 bleek dat
bord verwijderd te zijn en bleken de oude letters er gelukkig nog
steeds te zitten - het wezenloos lelijke bord had er alleen
maar overheen gezeten en in volle Amsterdamse-School-glorie stond
er weer, net als vroeger, "P. Oosterleeschool". Sinds 2016 heet de
school overigens Rembrandtparkschool, al staat de historische
naam "P. Oosterleeschool" nog steeds fier boven de ingang die,
net als het interieur, in stijl behouden is gebleven. Dat heeft
er alles mee te maken dat de school een gemeentelijk monument is
(inderdaad: sinds 2013).
In de grote, hoge lokalen stonden ijzeren kachels die 's winters
met turf werden gestookt. En dan waren er natuurlijk de "grote"
bruine schoolbanken - helemaal van hout uiteraard ;, met
middenvoor in het blad de inkpotjes met schuifdeksels. In de eerste
klas waren die de eerste tijd verboden terrein: we moesten het doen
met griffel en lei en we konden er alleen maar verlangend naar uitzien
dat we "echt" met (kroontjes)pen en inkt mochten gaan schrijven.
Dat was een glorieus moment: "Zo kinderen, vandaag gaan we met inkt
schrijven; schuif het deksel van je inktpotje maar open en doop je
pen erin, maar let op:
niet verder dan tot aan het gaatje!".
Ook de eerste klas: de tijd van de onsterfelijke "aap, noot, mies"
leesplankjes.
Aan de overkant van de school was "de katholieke school", zoals
we die noemden. Als de deur van die school openstond kon je in
de gang een heel groot beeld zien staan. Fascinerend en tegelijk
wel raar, want "bij ons hoorde dat niet". Ik herinner me nog goed
dat er een klein meisje was in een stralend witte jurk en dat ze
door een hele horde leerlingen van onze school werd omgeven, uit
pure nieuwsgierigheid. Dat maakte het kind zo bang dat ze in een
portiek van de broederschool probeerde te verstoppen. Ik had toen
toch wel meelij met haar. Pas later begreep ik dat ze naar haar
eerste communie ging, een begrip dat wij helemaal niet kenden.
Uiteindelijk werd ze, na ingrijpen van een van de meesters van
onze school, met rust gelaten. Bijpassend bij dat rooms-katholieke
geheel was een klein winkeltje, "Stella Maris", met allerlei
"rooms-katholieke (of beter: prullaria) op de hoek van de
Orteliusstraat en de Postjesweg.

Aan de Postjesweg was een imposante rooms-katholieke kerk
(Sint-Augustinuskerk, gebouwd in 1931/32, gesloopt in 1977,
wat toch eigenlijk wel zonde was), met daarvoor een heel groot
trottoir en een brede weg; of eigenlijk meer een plein, want de
weg liep dood tegen het talud naar de Sloterpolder met daarlangs
de Orteliuskade op stadsniveau. Verkeer was er toen eigenlijk
niet. Dat en het zeer ruime trottoir voor de kerk, en dan ook
nog vlakbij de Oosterleeschool maakten dat een vaste plek voor
het "speelkwartier". Ik kan me nog goed herinneren dat ik een
keer voor paniek heb gezorgd toen ik aan het begin van het
speelkwartier me geheel verstrooid afvroeg waarom al die kinderen
rechtsaf sloegen (naar het speelplein dus, zoals later bleek),
terwijl ik linksaf sloeg en naar de bus op de Hoofdweg liep en
daarmee naar huis ging. De reactie thuis was natuurlijjk geheel
voorspelbaar: "Wat doe jij hier???". Telefoon hadden we toen
nog niet, maar gelukkig hadden een paar klasgenootjes gezien dat
ik de verkeerde kant op ging, zodat de juf of meester al snel
wist waarom ik "vermist" was, en daar werd het ook meteen aan
"meester Beertema" doorgegeven. Toen vader thuiskwam heb ik
natuurlijk wel wat te horen gekregen...
In - als ik me goed herinner - de tweede klas (het begrip
"groep" was toen nog lang niet uitgevonden) moesten we voor een
ouderdag een toneelstukje opvoeren, de "bloemenkoningin" of zoiets.
De meisjes moesten voor bloempje spelen en o.a. een papieren rokje
dragen. Maar er was een meisje tekort en een jongetje teveel, dus
één jongetje moest de rol van een meisje spelen.
En ja, het zoontje van de meester kon daar natuurlijk niet moeilijk
over gaan doen, dus werd ik aangewezen om voor bloempje te spelen en
dus als bloempje/meisje gekleed worden.
Als meisje gekleed?!?.
Grote goden, dat was me een drama - een jeugdtrauma van de
eerste orde! Pas heel veel later realiseerde ik me overigens dat,
zeker voor die tijd en voor een christelijke school, een toneelstuk
over bloemetjes en bijtjes knap gewaagd moet zijn geweest. Maar goed,
ik heb die beproeving met frisse tegenzin dan maar doorstaan. Uit
mijn geheugen is hij echter nooit verdwenen. Zelfs 80 jaar
later (!) kon ik me nog woordelijk herinneren wat de
bijtjes/jongetjes naar de bloempjes/meisjes moesten zingen (evenals
de hele melodie, maar het is al erg genoeg, dus die ga ik hier toch
maar niet ten gehore brengen):
| |
heeft u, bloempjes van de heide
die zo vriend'lijk is en blijde
nog wat over van die stroop
die u altijd heeft te koop
want mijn moedertje
die heeft gezegd
de suiker, de suiker
van heidebloempjes
is lang niet slecht
|
De verhouding tussen jongens en meisjes lag in die tijd, en zeker
in de laagste klassen, trouwens toch wel "iets" anders dan later.
Een treffend voorbeeld daarvan staat me nog steeds helder voor de
geest, al kan ik me absoluut niet meer de namen van de betrokkenen
herinneren:
We zaten toen nog in schoolbanken. Netjes verdeeld: jongen naast
jongen, meisje naast meisje. Maar het gebeurde wel eens dat er
tijdelijk kinderen uit een andere klas in onze klas erbij kwamen.
En ja, dan was er wel eens een jongen of meisje "teveel". In het
geval dat ik mij herinner was er een meisje "teveel", en omdat er
in de klas een jongen alleen in een bank zat was hij de "natuurlijk
aangewezene" waar zij dan maar naast moest gaan zitten. Maar nee:
"Naast een meisje zitten?!? Geen denken aan!!". Argumenten als
"In de tram zit een heer toch ook naast een dame" haalden niets
uit. En om zijn standpunt nog eens extra duidelijk te maken legde
hij pontificaal zijn been op de open plaats. Argumenten ("In de bus
zit een heer toch ook vaak naast een dame") sorteerden geen enkel
effect. Dus moest er een ander "slachtoffer" gezocht worden. Die
was al gauw gevonden: want ja, als "zoontje van meester Beertema"
was ik een voor de hand liggende keus en mocht ik me natuurlijk
niet laten kennen. Tsja. Dus verhuisde de jongen naast mij naar
die andere bank en het meisje kwam naast mij zitten, ik voelde
me natuurlijk flink opgelaten, maar ik berustte in mijn lot, en
het is goed afgelopen. Pffff... Of achteraf bezien die andere
jongen een mooie kans heeft laten schieten weet ik niet en zou
ook niemand weten. En voor Remco Camperts "Alles zoop en naaide"
waren we toch nog veel te jong. ;-)
De trottoirs bij de school leenden zich prima voor knikkeren.
Een bezigheid die we in die tijd ook met graagte beoefenden was
om bij fietsen stukjes van de handvaten af te pulken en die dan
met een brandglas (loupe) in de fik te steken, rokend en stinkend.
Dat ging perfect, want die handvaten waren toen van celluloid.
Het "aangaan" van de school en het einde van het speelkwartier
kon je niet missen: dan ging de bel. Dat was een grote koperen
bel aan een zwarte ijzeren stang, die meestal door de concierge
werd geluid; soms mochten een paar leerlingen het doen, en dat
was een hele eer, dus daar werd om geknokt. Niet letterlijk,
want dat mocht niet en het schoolhoofd (van der Togt) was heel
streng.
Achter de school was een binnenplaats. Daar kwamen we eigenlijk
nooit; ik denk dat dat niet mocht vanwege de buren, want die
binnenplaats lag middenin een huizenblok. Er heerste dan ook
altijd een serene rust. Op die binnenplaats stond een enorme
kastanje (twee volgens Jan van den Berg), en als je de school
uit kwam was er rechts achterin een rommelhok waarin onder meer
een grote slijpsteen met een waterbak stond; dat ding boeide me
mateloos, maar ik heb het nooit zien gebruiken en het stond ook
weg te roesten.
Voor de school was de van Middellandtstraat. Dat was een heel
kort straatje en als je dat uitliep kwam je op de Orteliuskade,
wat toen het "einde van de wereld" was. Want daar hield Amsterdam
op en daar, in de diepte, lag de polder met tuinderijen, een
wereld compleet verschillend van onze stadswereld. Sinds 1973
ligt daar het
Rembrandtpark.
Op de hoek van de Van Middellandtstraat was het kleine en rommelige
"bruine" winkeltje van Broodwinner, waar ze van alles en nog wat
verkochten, maar waar het ons om ging waren de puntzakjes met
zwart-op-wit (salmiakdrop in poedervorm); heerlijk, maar het
werd altijd een viesbruine, plakkerige kliederboel van jewelste
(wijsvinger in je mond natmaken, in het zakje dopen en dan aflikken).
Van de onderwijzers en onderwijzeressen kan ik me maar weinig
meer herinneren. Alleen de namen van juffrouw de Jong (in die
tijd de "eerste opvang in moeilijke tijden", oftewel de juf van
de eerste klas), juffrouw Fiege, juffrouw Sinner, juffrouw
Houtman, meneer Nak, meneer Meyst en uiteraard het schoolhoofd:
meneer van der Togt, weet ik nog. En vanzelfsprekend natuurlijk
"meneer Beertema", want ja, dat was mijn vader. Wie het boek
"De Rivier" van Willem van Toorn heeft gelezen, herinnert zich
misschien de passages waarin zij figureren.
Overigens woonden zowel van der Togt als Fiege vlak bij ons in
de buurt: in de M.H. Trompstraat, bij de Krommert (ik ben er
trouwens pas veel later achter gekomen dat "Krommert" niet,
zoals ik altijd had gedacht, de aanduiding was voor de bocht
in de Admiraal de Ruyterweg, maar de naam-sinds-oudsher van het
onooglijke watertje dat het restant was van een al heel oude
poldersloot daar ter plekke. De tramrails daar lagen over een
onder het wegdek en de trambaan verborgen stalen bruggetje en
de voormalige poldersloot liep aan de westkant (de polderkant
dus) nz enkele tientallen meters dood tussen de huizen daar
aan de Admiraal de Ruyterweg. Omdat het een doodlopend stuk
stond het water dus stil, en het kon daardoor ongenadig stinken,
wat bepaald niet tot genoegen van de bewoners daar was. Het
heeft uiyeindelijk tot 1959 geduurd tot de gemeente ingreep
en de Krommert werd gedempt, waarmee de bewoners eindelijk
van de stank waren verlost. Gelijk daarmee werd ook het stuk
water tussen de M.H. Trompstraat (waar het hoofd en enkele
leerkrachten van de Pieter Oosterleeschool woonden) gedempt en
daarop een (laag gelegen) speeltuin aangelegd (die 's avonds
met hekken werd afgesloten). Vanaf de Krommert richting stad
kwam het tramspoor eerst samen met het stadstramspoor van/naar
de Jan Evertsenstraat. Vanwege het verschil in spoorbreedte
(1 m voor de NZH-trams, 1,435 voor de stadstrams)
werd het spoor van daar tot aan het eindpunt van de NZH-trams
in de Spuistraat drierailig uitgevoerd. De boveneiding eindigde
eerst net voor de Wiegbrug, omdat men in die tijd nog geen
oplossing had voor een bovenleiding boven de brug, vooral als
die geopend was. Om dit probleem te omzeilen moest de tram op
snelheid zijn en vlak voor de brug door de bestuurder stroomloos
worden gemaakt (rijkruk op nul) en op eigen massa-snelheid de
brug over zien te komen. Daarmee wilde het nog wel eens misgaan,
waarna de tram van de brug moest worden gesleept totdat hij weer
contact had met de bovenleiding. Pas later heeft men een echte
oplosssing bedacht, waarbij de draden van de bovenleiding in
een boog tot dicht boven het brugdek omlaag hingen, maar wel
ver genoeg er vandaan dat ze ook bij sterle wind geen sluiting
met de rails of een nat wegdek konden maken.

Even terzijde: in een klein deel van de portieken aan de westzijde
van de Admiraal de Ruyterweg zit een fraai tegeltableau, zoals
dit. Ze zitten er al zolang ik weet, en in die portieken zitten
ze behoorlijk beschermd, maar of ze de tand des tijds zullen
overleven is nog maar de vraag. Restauratie, zo die ooit nodig een
mocht blijken, zal naar alle waarschijnlijkheid een kostbare
zaak worden.
Van de Pieter Oosterleeschool zijn helaas maar heel weinig foto's
overgebleven. De foto's links en midden - met mijn vader resp.
moeder als onderwijzer(es) - zijn daar
hoogstwaarschijnlijk
genomen (de huizen op de achtergrond zijn vrijwel zeker huizen aan
de van Spilbergenstraat). En alleen op de foto rechts - van
een schoolreisje - staat een groot aantal (9) leerkrachten
van de Pieter Oosterlee. Mijn vader (achteraan) is herkenbaar aan
de sigaret in zijn mond. Daar was hij aan verslaafd en hij rookte
ze ook thuis, waar de kinderen bij waren, maar dat gold als normaal
in die tijd. Hij rolde ze zelf, met vloeitjes en tabak uit een
pakje A! (spreek uit: A-één). Ik haalde ook wel eens
een pakje tabak voor hem. Dat was erg makkelijk, want de winkel
was aan de Adm. de Ruyterweg, schuin tegenover ons huis. Na heel
veel aandringen van mijn moeder., die een hekel had aan dat vieze
gedoe (de rooklucht ging ook hardnekkig in de vitrage zitten) is
hij uiteindelijk overgestapt op pijproken, nog wel met een filter
in de steel. Die filters hebben hem uiteindelijk de schellen van
de ogen doen vallen, want bij het vervangen ervan kwam het oude
filter stinkend en pik- en pikzwart van de teer uit de pijp. Maar
ondanks de veranderingen en inkeer is het roken uiteindelijk zijn
vroegtijdige ondergang geweest: hij overleed aan kanker, nog geen
64 jaar oud. Mijn moeder heeft hem 28 jaar overleefd.
Van mijn klasgenoten van toen weet ik - behalve de paar namen
die ik hierboven heb genoemd - eigenlijk nauwelijks meer iets:
Met Attie Verburg ging ik nog wel eens mee. Hij speelde accordeon,
wat ik toen nog prachtig vond. En knap. Zijn ouders hadden een luxe
banketbakkerij / chocolaterie aan de Hoofdweg, vlak om de hoek
van de Postjesweg, en direct daarnaast ook een dameskledingzaak.
Mijn moeder was gek op blonde Greetje, maar ik vond er maar weinig
aan. Ria Ruisaard (één van de 3 zusjes Ruisaard die op de
Pieter Oosterlee hebben gezeten) daarentegen vond ik het liefste
meisje. Maar daar is het bij gebleven. ;-) Paula heb ik jaren later
weer teruggezien, toen we tot ons beider verrassing in dezelfde klas
van het lyceum (Christelijk Lyceum West, toen nog een gevestigd in
een bouten noodgebouw) kwamen te zitten. Paula was kennelijk een
sportief type, die in de jaren '60 topbasketbalster was, blijkens
dit verhaal
van een sportjournalist en neef van haar.
Tot slot was er een klasgenoot waarmee ik nog wel eens optrok, maar
van wie ik (ook al) de naam kwijt ben. Die jongen was een aartsfantast:
hij beweerde dat hij eens "alle banden van een vrachtwagen lek had
gemaakt door er scheermesjes voor te leggen". Een brutaaltje was
het ook: als we over de Hoofdweg liepen belde hij bij willekeurige
etagewoningen aan, om na het opendoen met een variant op een destijds
populaire reclameslagzin hard naar boven te roepen: "Mevrouw, hebt
u het al gehoord? Vim krast en kan niet schuimen!".
Tot eind juni 1954 hebben we in de Roelantstraat gewoond, daarna zijn
we naar Nunspeet verhuisd ("speelruimte voor de kinderen,, gezonde
boslucht"). Daar hebben we 3 jaar gewoond, met achter ons huis
een prachtig heuvellandschap - fantastisch voor kinderen. Maar
jaren later, toen wij allang uit Nunspeet weg waren, is dat heerlijke
en mooie landschap met zijn gezonde lucht compleet vernietigd: van
achter ons huis-van-toen helemaal tot aan de spoorlijn afgegraven om
plaats te maken voor industrie... Dat is dus hoe men in dit land met
natuur omgaat. Alleen als zich daar roofdieren hadden gevestigd was
het misschien niet gebeurd, want die worden beschermd, mensen niet.
Een recenter voorbeeld is hoe men is omgesprongen met landgoed
Amelisweerd, waar niet eens - misschien nuttige - industrie
kwam, maar waar een tig-baans autoweg moest komen. Want auto's, met
hun stinkende en giftige uitlaatgassen, zijn veel belangrijker dan
mensen en hun gezondheid.
Direct achterons huis lag een hoge heuvel met een steil zandpad. Als
het flink gesneeuwd had konden wij kinderen heerlijk met een slee
met een rotgang van die heuvel af roetsjen. Heuvelop, met de slee
onder de arm, ging duidelijk moeizamer... Voor mijn vader, die daar
aan de ULO les gaf, was die sneeuw bepaald minder aangenaam, want hij
moest op de fiets naar school.
En toen was daar ineens de zeepcrisis. Afwassen deed je toen in een
teiltje met warm water, waarin je een "romig" sopje maakte met een
zeepklopper met daarin een blok Sunlight zeep. Maar die was ineens
nergens meer verkrijgbaar. Nergens? Veel dichter bij huis, op halve
fietsafstand van onze kruidenier, vonden we een onooglijk winkeltje
dat we nog nooit eerder hadden opgemerkt. En daar bleken ze tot onze
stomme verbazing een schijnbaar onuitpputtelijk lijkende voorraad
Sunlight zeep te hebben. Probleem om zeep geholpen.
Maar nu eerst even een kronkelpad langs een paar los van elkaar
staande dingen:
"voor god zijn alle mensen gelijk"
Nou, niet in een zeer christelijk dorp als Nunspeet. Mijn ouders
waren christelijk, en
dus wij kinderen ook, want zo waren
we geïndoctrineerd ("handjes samen, oogjes dicht" terwijl
vader een prevelementje de ruimte in stuurde). Zondags gingen zij
dus naar de kerk, en wij kinderen moesten met frisse tegenzin mee.
Daar zagen wij tot onze verbazing dat er mensen meteen al gingen
zitten, terwijl wij moesten blijven staan. Onze ouders legden ons
uit dat de mensen die meteen gingen zitten geld aan de kerk gaven
en dat ze dus in feite huur betaalden voor die (vaste) zitplaats.
Het gewone volk - waar wij dus bij hoorden - moest
blijven staan, tot er bovenaan de preekstoel een groen lampje
ging branden, waarna ook zij konden gaan zitten. Kortom, die
gelijkheid voor god was afhankelijk van geld. Afhankelijk van
de mammon dus.
bijna de pijp uit
Ik mocht af en toe naar mijn oma in Amsterdam om daar een paar
dagen te logeren. Daar werd ik een keer goed ziek. Met oma naar
haar (ziekenfonds)dokter. Diiagnose: "buikgriep, gaat vanzelf
over". Niet dus. Ik werd zo ziek dat ik alleen terug ben gegaan
naar Nunspeet (oma betaalde de kaartjes). Van station naar huis
was nog een heel eind lopen, wat bepaald niet vanzelf ging.
Natuurlijk waren mijn ouders stomverbaasd toen ik daar aankwam
("wat doe jij hier?!?") Maar ja, in die tijd hadden noch oma
noch mijn ouders telefoon. Dat ik goed ziek was, was wel duidelijk,
dus mijn vader gelijk op de fiets naar de dokter. Die kwam heel
snel. Conclusie: "onmiddelijk naar het ziekenhuis". Dat was in
Harderwijk. Daar meteen geopereerd. Na de operatie hadden mijn
ouders een gesprek met de chirurg. Die was werkelijk razend op
mijn ouders: "waarom ze me zo idioot laat naar het ziekenhuis
hadden laten gaan", en "doorgebroken blindedar-ontsteking en
buikvliesontsteking, ik heb verschrikkelijk moeten redderen",
en "ik geef geen cent voor het leven van die jongen". Je zult
het als ouders maar te horen krijgen. Toen hij uitgeraasd was,
werd mijn vader giftig en heeft hij hem verteld hoe de vork
werkelijk in de steel stak. Dat leidde tot excuses van
de chirurg. Maar de enig mogellijke kans op redding lag in het
gebruik van nieuwe, nog niet officieel toegelaten medicijnen
(streptomycine, achromycine), waar mijn ouders toestemming met
handtekening voor. Ik heb het overleefd, maar het heeft een
schooljaar doubleren gekost.
"Ende dispereert niet", zei Brederode al. Brederode is nu een
ruÏne.
spelen loopt niet altijd goed af
Voor kinderen is pelen in de heuvels is natuurlijk hartstikke
leuk. Maar als je van een heuvel afspringt die een zandige
uitholling heeft, dan kun je verkeerd terechtkomen: met je
gat op een zandricheelof de zandgrond. Ik kan je verzekeren
dat dat pijnlijk kan aflopen, bijv. op gekneusde ribben,
doordat je bekken tegen je ribben klapt. Ik weet uit ervaring
hoe dat dan aanvoelt.
verboden spelletje, maar wel leuk
Niet ver van ons huis liep de spoorlijn, met een onbewaakte
overweg. Het treinverkeer op die lijn was bepaald niet druk.
We hadden er met zijn drieën een spelletje van gemaakt
om wat spijkers mee te nemen en die bij de overgang op de
rails te leggen, terwijl één van ons op de
uitkijk stond of er geen trein aankwam. Liefst hadden we dat
er daarna een trein kwam met zo'n loeizware locomotief, en
we wisten wel ongeveer rond welke tijd dat gebeurde. Als de
trein voorbij was en er geen op het andere spoor aankwam
gingen we, weer met één op de uitkijk, de
spijkers zoeken. Het was leuk en indrukwekkend om te zien
hoe die door de wielen van de zware locomotief helemaal
geplet waren.
een grof schandaal
Ik herinner me nog dat de weg tussen Nunspeet en Elspeet
bijzonder mooi was om te fietsen: het fietspad liep door
het bos, een stukje van de autoweg. Mooi en rustig dus, en
echt om van te genieten. Als het mooi weer was tenminste.
In de tijd dat wij in Nunspeet woonden heeft mijn moeder
ook een tijdelijke aanstelling gehad op een zich "christelijk"
noemende school in Elspeet. In de periode van die aanstelling
viel ook een zeer strenge winter. Ze kon toen meerijden in de
auto van een collega. Op de school in Elspeet heeft ze het
meegemaakt dat een meisje, vanwege de zeer strenge vorst, een
broek droeg i.p.v. een rok, omdat een blaasontsteking juist
bij meisje onder die omstandigheden op de loer lag (ze gingen
op de fiets naar en van school. Maar het arme kind werd door
het "christelijk" doorgedraaide hoofd van de school zonder
pardon naar huis teruggestuurd om een rok aan te trekken en
weer in de snerpende kou naar school te fietsen (!).
Mijn moeder heeft daarover - terecht - een knallende
ruzie met het schoolhoofd gekregen en ze heeft het ook niet
lang op die school uitgehouden.
seksuele 'voorlichting'
Aan seksuele voorlichting deden mijn ouder niet. Noch voordat
we naar Nunspeet gingen, noch in Nunspeet, noch erna. Want dat
was iets vies, dus daar praatte je niet over. We moesten zelf
maar achter "de bloemetjes en de bijtjes" komen. Toch hebben
mijn broertje en ik eenmaal iets gehad wat daarvoor moest
doorgaan. Dat gebeurde in Nunspeet, door een buurmeisje van
18 uit een gezin uit Nederlands-Indiï. Pas later kon ik
me voorstellen dat zo'n warmbloedig pubermeisje in dat duffe
en bekrompen dorp geen geschikte lekkere knul kon vinden.
En misschien zelfs niet
mocht vinden.
Enfin, ze nam ons een keer mee de heuvels in, voortdurend om
zich heen spiedend of de kust veilig was. En toen kwam het.
Op fluistertoon: "Weten jullie wat neuken is?". Nee dus.
"Als een jongen zijn piemel in die van een meisje steekt".
Wij gniffelen en "waaaaah!". Maar dat was het dan; verdere
uitleg bleef uit en we konden ons er ook in het geheel geen
voorstelling van maken.

Dat ons zusje "van onderen" anders was dan wij, dat wisten we
wel, van de tijd dat we als ukkies in bad werden gedaan in de
tobbe met warm water die voor de opgestookte (kolen)haard in
de huiskamer was neergezet. Voor ons was dat "anders" dat ze
iets miste wat wij wel hadden; wat zij had noemden wij "een
katrol". En naar later inzicht was dat was dat niet eens zo'n
slechte beschrijving. Maar echt dieper inzicht in dat "anders"
kregen we niet, en er werd ook over gezwegen als het graf.
Pas op het lyceum werd ons duidelijk wat het allemaal wel
inhield, want vlakbij de school was een boekwinkel waar ook
pornoblaadjes en voorlichtingsboekjes ("Het sexuele leven en
de jonge mens") werden verkocht en dus "ter inzage" lagen.
Terugblikkend moet ik misschien blij zijn dat dat buurmeisje
in dat stille landschap niet op aanschouwelijk onderricht is
overgegaan en niet met mijn broertje en mij is gaan rotzooien.
Maar daar zie ik haar eerlijk gezegd toch niet voor aan.
Hoewel het in Nunspeet goed was voor de kinderen, het wonen beviel
mijn ouders daar allerminst, vooral door het zwaar christelijke
karakter van de dorpssamenleving, die uiteraard ook in de school
sterk aanwezig was. Al na drie jaar zijn we dan ook terug naar
Amsterdam verhuisd. Mijn vader, die graag schilderijen maakte,
heeft de school daarbij een stevige poets gebakken: hij gaf het
bestuur een schilderij cadeau: van het Veluws landschap, maar
met erboven een zware donkere lucht. Het schilderij werd in
dank aanvaard, maar toen hem naar de betekenis van dat licht/donker
werd gevraagd, was zijn antwoord: "Dat mooie, lichte landschap
is die prachtige Veluwe; en die donkere lucht erboven is dat
loodzware geloof van jullie, dat als een een inktzwarte donderwolk
boven die lieflijke Veluwe hangt. Daarop volgde slechts een
bedremmeld zwijgen...
Vanuit Nunspeet zijn we terug naar Amsterdam verhuisd, waar we aan
de Rivierenlaan kwamen te wonen, in de Rivierenbuurt, naar de vele
straten daar die naar Nederlandse rivieren zijn genoemd. Dat mijn
vader een "noodzakelijk beroep" uitoefende (onderwijzer) zorgde
ervoor dat hij voorrang kreeg bij de toewijzing door het CBH (Centraal
Bureau Huisvesting) van de gemeente.
Helaas is later aan de mooie straatnaam afbreuk aan gedaan doordat
de gemeente het nodig vond om dierse straten een ander naam te
geven, van Engelse en Amerikaanse machthebbers te vernoemen die
bij de bevrijding van Nederland in 1945 een belangrijke rol hebben
gespeeld (maar zelf maar weinig risico hebben gelopen). Bijv. de
Noorder en Zuider Amstellaan werden resp. Churchillaan en
Rooseveltlaan. Dat is later helaas ook gebeurd met de Rivierenlaan,
die in 1964 de naam President Kennedylaan kreeg, naar de toenmalige
president van de VS en zijn - in Nederlandse optiek -
vastberaden optreden in de
Cuba-crisis
(die hierop neerkwam: Amerika had raketten opgesteld vlakbij de grens
van de Sovjet-Unie, maar de Russen mochten dat niet doen op Cuba, dicht
bij de VS). Het optreden van de Amerikanen leidde bijna tot de WO III,
maar dan met kernwapens. Dat werd ternauwernood voorkoken door de
Russische onderzeebootcommandant
Vassily Archipov
die weigerde een torpedo met kernlading af te vuren op het Amerikaanse
vliegdekschip.
De woning waar we op de Rivierenlaan kwamen wonen lag pal tegenover
het Mirandabad, genoemd naar wethouder
Monne de Miranda.
We hadden dus direct zicht op het zwembad, wat erg handig was, want
we keken zo op de hele grote buitenthermometer die de temperatuur
van het zwemwater aangaf. Vooral in het begin van het zwemseizoen,
als het water nog steenkoud was (het was een openluchtbad) kon
een enkele blik ons er al van weerhouden om een duik te nemen (en
daarna thuis voor de kachel bij te komen).
Toevoeging
Mijn herinneringen aan de Pieter Oosterleeschool hebben tot reacties
van een aantal oud-P.O.'ers geleid. Lenie Geerlings-Fakkeldij,
Jan van den Berg, Jaap Zwart¹), Ed Koopal, Corry Damman-Ruisaard,
Ria Hikke-Ruisaard, Jan Overdijk, Greet Lens Buhrer-Tavenier en Greetje
Beekman hebben mij aanvullingen, correcties en soms ook foto's gestuurd.
Enkelen van hen hebben een uitgebreider verhaal gemaakt van hun
herinneringen aan de Pieter Oosterlee en me dat toegestuurd. Die
persoonlijke verhalen heb ik - uiteraard met hun toestemming -
op een aparte pagina gezet.
Veel later is er een heel bijzonder contact tot stand gekomen met een
echtpaar waarvan beiden op zowel de Magalhaensplein kleuterschool als
de Pieter Oosterlee hebben gezeten, alleen enkele jaren eerder dan ik:
Ali v.d. Water en Kick (Chris) Koldewijn. Ali bleek een tuindersdochter
te zijn uit de Sloterpolder achter de Orteliuskade. De
elektrische overhaal/scheepslift in de Postjeswetering,
waarvan ik het bestaan nooit heb geweten, tot het te laat was en hij was
afgenboken. De reden is eenvoudig: het lag buiten het gebied waar ik van
de lagere school uit kwam.. Die overhaal, achter de Ambachtsschool, wist
ze zich nog heel goed te herinneren, want zoals ze schreef: "daar moest
onze schuit dagelijks overheen gehaald worden, als de groenten naar de
veiling werden vervoerd. Tijdens de vakantie mocht ik altijd mee."
25 jaar Pieter Oosterleeschool

In 1955, bij het 25-jarig bestaan van de school, is er een bijzonder
Rapportenboekje uitgebracht, met daarin van elke onderwijzer(es)
een karikatuur. Zelf had ik het helaas niet meer. Daarom riep ik
lezers hier op om, als ze dat boekje nog hadden, contact op te nemen.
De kans achtte ik vrijwel nul. Maar toch, na ruim 10 jaar (!)
kreeg ik een verheugend bericht: oud-P.O.'er Frank van Bronkhorst
liet me weten dat hij het nog had. Een scan ervan staat nu op deze
site: klik op de afbeelding. Met heel veel dank aan Frank voor het
hiervoor beschikbaar stellen van dit unieke boekje.
Opmerkelijk is dat volgens dit boekje en volgens sommige bronnen de
school in 1930 is gesticht, terwijl diverse andere bronnen vermelden
dat het
schoolgebouw aan de Orteliusstraat in 1931 is opgeleverd.
Mogelijk is de school
als onderwijsinstelling, welke uitging
van de '"Vereeniging tot stichting en instandhouding van Chr. scholen
te Sloterdijk" te Amsterdam West', tijdelijk - tot het schoolgebouw
in gebruik kon worden genomen - ondergebracht geweest in een andere
school van dezelfde Vereeniging.
Tot slot een opmerking:
Op deze pagina hebben eerder foto's gestaan waarvan ik dacht de dat ze
op de Pieter Oosterlee waren genomen. Uit nader onderzoek is echter
gebleken dat ze moeten zijn genomen op de Jan de Liefdeschool in
Amsterdam (nu buurtcentrum De Boomsspijker), waar mijn vader in 1933
als onderwijzer is begonnen en tot zeker 1939 of 1940 heeft gewerkt
("kwekeling met akte" heette dat toen, wat een eufemisme was voor hard
werken maar slecht betaald krijgen). Omdat er mogelijk nog lezers zijn
die belangstelling voor die foto's is heb ik ze op deze site laten staan:
Jan de Liefdeschool
foto1 -
foto2 -
foto3 -
foto4 -
foto5.
| lagere school {2} |
Nederlands Hervormde School
(Stationslaan, Nunspeet)
1954-1955
Hiervan staat me eigenlijk niets meer bij. Ik kon me ook nog maar
twee namen herinneren: Jannie Blom en Annie Hulsman, maar die zaten
niet bij mij, maar bij mijn broer en zus in de klas. Annie's ouders
hadden een tabakszaak op de hoek van de Dorpsweg en de Laan.
Het enige schoolgebeuren - als je dat al zo kunt noemen -
dat me bij staat is dat er een keer voor een paar schoolklassen een
film zou worden gedraaid in "de zaal van Krol". Nu was een film al
heel wat in die tijd, zeker in Nunspeet. Maar die film bleek een
diavoorstelling te zijn, en de "zaal van Krol" een schuur van een
boer in het dorp...
Maar door die namen is het onwaarschijnlijke gebeurd en ben ik in
contact gekomen met Jannie. En zij kon me aan andere namen helpen,
vooral ook dankzij een krantenknipsel met de namen van geslaagden
voor het verkeersexamen. Hopelijk komen uit dit lijstje weer meer
contacten voort:
- Jannie Blom
- Ineke Bosman
- Annie Hulsman
- Rina Kluinhaar
- Jansje van Olst
- Marrigje Vlijm
- Maas Hopman
- Aart Koster
- Jan Mulder
- Dicky Stapel
Schoolhoofd: Hogeweg
|
|
|
| lyceum {1} |
Christelijk Lyceum Harderwijk
(Stationslaan, Harderwijk)
1955-1956
- Judith van Mierlo (2e rij, 3e van links)
- Henk Leemans (achterste rij, rechts)
- Flip Boot
|
|
|
Nauwelijks herinneringen meer. Op bovenstaande drie na weet ik ook
geen namen van klasgenoten meer, en al evenmin van leerkrachten.
Eerste rij, 3e van links op de foto ben ik zelf.
| lyceum {2} |
Christelijk Lyceum West
(Jan Tooropstraat, Amsterdam)
1956-1957
Rector: Tollenaar
Zoals gezegd lag de Pieter Oosterleeschool destijds aan de rand van
de stad. Jaren later is het achterliggende polderland opgespoten voor
de bouw van de nieuwe wijken Geuzenveld, Slotermeer, Overtoomse Veld
en Slotervaart. In die zandvlakte, "in the middle of nowhere", vlakbij
de Ringdijk, stond een houten noodgebouw waarin het Christelijk Lyceum
West was gehuisvest.
Vanwege de korte tijd dat ik daar gezeten heb, heb ik er heel weinig
herinneringen aan. Wel dat "slootje dempen" in de pauzes een favoriete
bezigheid was. Die slootjes dienden overigens voor de afvoer van het
water waarmee het opspuitzand werd aangevoerd.
Van Jan Fey herinner ik me dat hij voortdurend bezig was "machines"
te tekenen: de meest ingewikkelde contrapties van tandwielen, raderen,
trechters, enz., zonder enige aanwijsbare functie of doel. Jan was ook
de uitvinder van het "snafdiertje". Wie weet leest hij dit nog wel
eens...
Van deze school heb ik geen enkele foto overgehouden.
Later kwam ik er achter dat twee van mijn collega's op het Mathematisch
Centrum / CWI - Jan Kok en Chester Thomson - ook "rond mijn
tijd" op het Christelijk Lyceum West hebben gezeten.
| lyceum {3} |
Hervormd Lyceum Zuid
(Brahmsstraat, Amsterdam)
1957-1963
De nummers geven fotonummer / nummer op foto aan
- Alie Loos (1/7, 3/3)
- Anke Smit (1/24)
- Annemarie Jansen (1/8)
- Ay Lan Tjoa (2/21, 4/9)
- Connie Kutsch Loyenga (2/4)
- Cora Hoogewoud (2/2, 4/5)
- Els Eijlander (2/8, 4/2)
- Gerdie Duijker (3/2)
- Heleen Stulen (1/18)
- Heleen Witvliet (2/3)
- Ineke Scholten (2/10, 3/18, 4/4)
- Jeannette Moolhuizen (1/23, 5/11)
- Jenny Stegeman (1/21, 3/16)
- Marchien Schaap (3/11)
- Marijke Kraayenhof (2/24, 3/13, 4/1)
- Marja van Rijswijk (1/9, 5/6)
- Marjan Hiemstra (1/10)
- Marjan Sweers (2/17, 3/20, 4/6)
- Marthe Voorhoeve (2/19, 3/12, 4/7) (†)
- Mieneke Beertema (2/20, 3/14, 4/10)
- Rietje Hoogerwerf (1/13)
- Tineke van Beusekom (1/19)
- Toos Peeters (2/6)
- Truus Bosman (1/22, 5/12)
- Bert Samsom (1/14, 5/20) (†)
- Cor Keers (3/17)
- Cor Spreeuwenberg (1/16)
- Hans Glashouwer (2/12)
- Hans Ponse (1/?)
- Henk de Vries (2/13, 3/9, 4/14)
- Herman Geerlings (3/1, 5/17)
- Herman Overweel (3/24)
- Hielke Faber (2/14, 3/23, 4/16)
- Jan Bron (1/17, 5/19)
- Jan de Kater (3/19)
- Jelte Strikwerda (2/7) (†)
- Joe Sioe Liem (2/23, 4/15)
- Johan Baerents (3/15)
- John Admiraal (3/7)
- John Alma (2/9, 3/4, 4/8)
- Johan Vis (1/4)
- Joop Beertema (2/22, 3/10) (†)
- Jord Hoetink (1/11)
- Karel Abma (2/5, 3/5, 4/3)
- Lex Sitter (1/1, 5/14)
- Loek Meijer (1/5, 5/21)
- Luc Stranders (1/vrijwel buiten beeld naast 12)
- Martin Brouwer (1/6)
- Niek van Lingen (1/2, 5/15)
- Paul Voskuyl (3/21)
- Peter Berning (5/4)
- Piet Beertema (1/3, 2/18, 3/22)
- Roger Basart (1/15) (†)
- Theo Schouten (1/20)
- Ton Wessendorf (2/11, 4/13)
- Ton Kosters? (3/24)
- Wichert ten Have (2/1)
- Wim Baerts (2/16, 3/6, 4/12)
- Wim Klein (2/15, 3/8, 4/11)
- Wout Rodenburg (1/12)
Foto's 4 en 5 heb ik van anderen gekregen. Zelf sta ik er niet op,
wel leerlingen met wie ik in een andere klas heb gezeten.
|
|
foto 1: 2e klas?
foto 2: 3e klas?
foto 3: 5e klas?
foto 4: 3e klas?
foto 5: 6e klas 1961
|
Rector: Verboom; later: van Muyden
Conrector: van der Kolk
Concierge: Ringeling
Leerkrachten:
- mw. Engel / Klassieke talen
- mw. Eringa / Frans
- mw. Huisman ("Ihr schlaft, Kinder!!!") / Duits
- mw. Smit / Engels
- van Asperen de Boer ("poepoog") / Scheikunde
- Bouhuijs / Godsdienst
- Breitenstein / Engels
- Carlier ("meneer faftig") / Gymnastiek
- van Duin / Klassieke talen
- Geijtenbeek / Klassieke talen
- Huisman / Klassieke talen
- Janssen / Klassieke talen (foto 2)
- Kuipers ("uche, uche") / Wiskunde
- Leeuwenstein / Aardrijkskunde
- van Lienden / Nederlands
- van Maanen / Tekenen
- Merthens / Muziek
- de Rek / Geschiedenis (foto 3)
- Terwee / Klassieke talen
- van der Velden / Duits (foto 1)
- Verbeek / Nederlands
- Verschoor / Engels
- Vogelensang / Wiskunde
- Vunderink ("puntje verrek") / Natuurkunde
- Weddepohl / Natuurkunde
- ??? / Biologie
Herinneringen
In tegenstelling tot mijn herinneringen aan de Pieter Oosterleeschool
zijn die aan het Hervormd Lyceum sterk fragmentarisch en beperken ze
zich totnogtoe tot flarden van herinneringen aan o.a.:
-
De klasse-avonden bij verschillende leerkrachten, met name die - met
dansen - bij mevrouw Eringa (die toen aan de Stadhouderskade woonde).
De tijd van de plaatjes van de Crystals ("And then he kissed me"), Ronettes,
Troggs, enz., en natuurlijk de befaamde "Wall of Sound" van Phil Spector.
Vaak ook met mijn zus gedanst.
-
De kleine schoolfeesten in de school, in de hal beneden. Waar je kon
dansen op dixieland-muziek van de schoolband (Chicago Dixieland Pipers,
met Geert van Keulen (klarinet), Martien Dillo (trompet), Hans Dillo
(saxofoon), en een drummer van het Amsterdams Lyceum). Nou ja, dansen...
het was er altijd zo barstensvol dat je je kont amper kon keren, dus
bleef het bij schuifelen. Maarre... ging het vaak eigenlijk niet juist
daarom? ;-)
-
De jaarlijkse grote schoolfeesten in Marcanti aan de Jan van Galenstraat,
waar tegen de buitenmuur, een fraai beeldhouwwerk was bevestigd van een
volledig naakte vrouw en idem man, "met alles d'ropen d'ran".
Dat dat zo mocht in die tijd, zo aan de openbare weg, was best bijzonder,.
Het schoolfeest en dansen was op de verdieping, en met de toen voor de
meisjes vooral bij dansfeestjes gebruikelijke wijde rokken was het devies
voor de jongens: "niet omhoog kijken", temeer daar de trap naar de
verdieping een open trap was. Uiteraard hielden alle jongens zich er
keurig aan; nou ja, zo'n beetje... Strings waren er in die tijd overigens
nog niet. Natuurlijk waren er ook meisjes die veel vrijer waren en zich
op hun eigen manier kleedden, vooral gericht op "meisje versiert jongen"
sex-appeal.
-
Pas veel later (2026) hoorde ik, in een uiterst boeiende conversatie
met iemand van
De Westkrant,
meer over Marcanti. Ook tijdens het dansen op de schoolfeesten werd
toezicht gehouden: als een jongen en meisje te close "dansten"
(onderlijf tegen onderlijf gedrukt, borst tegen borsten, hij zijn
handen op haar billen, zij met haar armen om zijn nek hangend, en
zo samen ultrakorte pasjes makend om het in elk geval nog een beetje
op dansen te laten lijken, het geheel bekend als "seksueel schuifelen"),
dan werden ze door sommige toezichthouders al vrij snel op de schouder
getikt en gingen ze "netjes dansend" verder. Nou ja, voor even dan...
Andere toezichthouders waren overigens ruimer van opvatting. En bij
de meisjes waren er die, ook al moesten ze op zo'n feestavond netjes
gekleed gaan, zich heel goed uitdagend wisten te gedragen.
-
Van mijn contact bij De Westkrant hoorde ik ook iets anders dat ik
eerder nooit heb geweten: dat het beeldhouwwerk aan de buitenmuur
de titel "Danspaar" droeg en in 1956 door
Cephas Stauthamer
was gemaakt. De naam "Danspaar" is natuurlijk best bijzonder, want het
was, zeker in die tijd, toch bepaald niet gebruikelijk om letterlijk
piemelnaakt te dansen. Nou ja, behalve misschien op toneel en podia in
theaters en clubs in de rosse buurt. En ja, dat was wel de buurt waar,
aan de Oudezijds Voorburgwal, Cephas Stauthamer op een van de voormalige
tabakszolders zijn atelier had.
-
Uiteraard staan me nog de meisjes bij die korter of langer mijn vriendinnetje
zijn geweest - al dan niet alleen in mijn eigen perceptie of (ook) in
die vananderen. ;-) Van hen heeft alleen Ay Lan altijd een bijzondere
plaats in mijn herinneringen gehouden. Met haar heb ik vanaf ±2000
nog af en toe contact gehad.
-
De dagelijkse "stille omgang": de pauzes waarin we ons dienden te
verpozen middels een wandeling die beperkt moest blijven tot de
trottoirs naast en achter de school.
-
Het napraten na schooltijd. Altijd in kleine groepjes, vaak dezelfde.
Fietsen uit de stalling (ging het hek op slot?), met de fiets aan
de hand nog een tijdje napraten, en dan snel naar huis.
-
De waardeloze natuurkunde"lessen" van Vunderink. Wat hebben we een
geluk gehad dat natuurkunde werd uitgeloot als eindexamenvak...
-
De "deftige" - of bekakte - mevrouw Smit. Toen ze een keer
bij ons thuis kwam hield ze haar hoed op - dat scheen bij een
"dame" te horen. Maar goed lesgeven, dat kon ze!
-
Juffrouw Engel, een mooie, sexy vrouw die van die kwaliteiten graag
gebruik maakte. Ik zat in de klas in de op één na
voorste bank, middelste rij, en vaak ging ze zo richting klas op het
schrijfblad van de voorste bank zitten dat ze ons "enig inzicht" gunde.
Ik vond het altijd een nogal gênante vertoning.
-
De altijd vriendelijke meneer Geijtenbeek. Werd door iedereen op
handen gedragen. In schrille tegenstelling daarmee die andere leraar
klassieke talen, meneer Janssen, wie het niet gegeven was orde te
kunnen houden.
-
De gloeiende uitbrander die Wim Baerts van van Asperen de Boer
kreeg toen hij het, net voordat de eerste scheikundeles begon,
bestond om zomaar op eigen houtje Een Raam Te Openen: "Wie heeft
jou toestemming gegeven om dat raam te openen, huh?! Eigengereid
stuk meubel!!!". Kennelijk mocht dat dus niet. ;-)
-
De keer dat Henk de Vries tijdens de gymnastiekles bij de oefeningen
aan de ringen feilloos het verkeerde moment voor de afsprong koos,
op de grond kletterde en zijn pols brak.
-
De zeiltochtjes op de (Amstelveense) Poel. Mijn broer en zus zullen
nooit het tochtje vergeten waarbij hun boot door een stuurfout omsloeg.
De Poel was ondiep en modderig, dus ze roken verre van fris toen ze
thuiskwamen...
-
Een fietstocht met de hele klas naar de Kennemerduinen en de Ruïne
van Brederode. Ik heb er nog foto's van.
-
De diavoorstellingen die van Asperen de Boer af en toe gaf in de aula.
Prachtig zoals die man kon fotograferen!
En zo nog veel, heel veel meer ...
Deze webpagina heeft op het "HLZ-front" al best wat opgeleverd:
-
Met Ay Lan, Joe Sioe, Jenny, Wichert, Toos, Niek, John Alma, Luc
en Peter Berning ben ik weer in contact gekomen; met name Ay Lan
en Niek hebben voor flink wat correcties en aanvullingen op de
namenlijst gezorgd en Niek ook voor aanvullingen over de schoolband.
-
Heel bijzonder was de mail die ik in 2017 van Luc Stranders kreeg:
hij bleek degene te zijn die op foto 1 zo goed als helemaal
buiten beeld valt. Dat kon hij zich nog goed herinneren en ook zijn
trui herkende hij nog op de foto...
-
Naar Peter Berning heb ik heel lang moeten zoeken. Toen ik eenmaal
contact met hem had klikte het meteen, en het werd ook nog eens een
gouden greep. Want Peter bleek nog een boekje over het HLZ te hebben:
"Klassenboek 1934-1996", met de namen van alle examinandi uit die
jaren. Aan de hand daarvan kon ik te langen leste een paar bij de
foto's nog steeds ontbrekende namen aanvullen en andere corrigeren,
maar het ging me te ver om het te gebruiken om de "herinnerings-
namenlijst" te completeren.
-
Door dat Klassenboek zit ik nu overigens wel met een vraagteken. Want
daarin staat bij mijn eindexamenjaar (1963) een naam "Gerda Scheltes",
en die naam zegt me helemaal niets. En Alie Loos ontbreekt, ook bij
latere eindexamenjaren. Toch ben ik er zeker van dat nr. 3 op
foto 3 Alie Loos is. Wie lost dit raadsel voor me op?
Van degenen die hier genoemd staan en die zich ook op de voormalige
oudleerlingen site van het HLZ hadden aangemeld, heeft helaas niemand
ooit gereageerd op mijn via die site verstuurde mailtjes. Maar wie
weet lezen ze dit nog eens...
-
Van verschillende van mijn oud-klasgenoten weet ik dat ze inmiddels
zijn overleden, sommigen veel te jong. En ja, onontkoombaar zal dat
ook voor mij gaan gelden.
Door puur toeval ben ik heel veel later, na mijn pensionering, toen
ik als technisch vrijwilliger bij het oude Haarlemmermeer-stoomgemaal
de Cruquius (niet meer onder stoom draaiend, maar elektrisch-hydraulisch
bewogen) werkte, in contact gekomen met Ay Lan's zus Yoe Lan, die
als gids met een groep toeristen de Cruquius bezocht. Dat leverde
natuurlijk een leuk gesprek op.
De enorme Europahal van de RAI aan het Scheldeplein/Wielingenstraat
heb ik nog zien bouwen, weer afbreken en opnieuw bouwen, want ik kwam
er elke (school)dag van huis naar het lyceum v.v. langs. Dat afbreken
en weer opbouwen betrof overigens alleen de galerijen die de enorme
spanten moesten dragen waarmee een volledig obstakelvrije ruimte
ontstond. De afbraak na de eerste bouw was nodig omdat uit proeven
gebleken was dat de samenstelling van het gebruikte beton zodanig
was dat de galerijen de enorme overkapping van de ruimte niet zouden
kunnen dragen. Het aanbrengen van de enorme spanten was trouwens een
spectaculair gezicht.
| en toen kwam 1963 |
Ons eindexamanjaar op het gymnasium. Maar ook het jaar dat begon
met een natuurverschijnsel om nooit te vergeten. In die tijd
hadden we nog echte winters, met veel sneeuw, strenge vorst,
ijzel, een harde noordoostenwind, en door de gladheid veel
verkeersongelukken en fietsers en voetgangers die onderuit
gingen. De vorst werd zelfs zo extreem en langdurig dat het
IJsselmeer dichtvroor en auto's over het ijs konden rijden
en zelfs het IJsselmeer oversteken, zoals de film op
deze pagina laat zien.
Dichter bij huis werd het eerst ijspret: het "onmogelijke"
gebeurde: we konden voor het eerst vlakbij ons huis schaatsen
op de Amstel, die anders nooit dichtvroor. Helaas duurde die
pret maar vrij kort. Want een bedrijf vond het nodig om een
vrachtschip door de Amstel te sturen, voorafgegaan door een
ijsbreker die een vaargeul voor het vrachtschip moets maken.
Dat bleek verre van een sinecure vanwege de dikte van het ijs:
stukje vooruit, weer terug, stukje vooruit, weer terug, enz.
Toen besloten de bazen om het met grof geweld te doen: ze
stuurden een echte ijsbreker. Zo een die zelfs met het dikste
ijs korte metten maakt. Dat hebben we geweten: in de door de
lichte ijsbreker gemaakte geul was uiteraard geen schaatvloer
meer, maar de zware ijsbreker verruïneerde de complete
ijsvloer, een onbegaanbare chaos aan losse en alle kanten op
stekende dikke ijsschotsen achterlatend. Dat er toen heel wat
is gevloekt en gescholden op "die idioten" behoeft geen betoog.

Maar dat dicht-bij-huis ongemak - om het nog een beetje
vriendelijk uit te drukken - was nog niets vergeleken bij
wat in het hele land voetgangers, fietsers en auto's ondervonden.
Links en rechts slippende en scharende vrachtwagens, waarvan
menige half in een sloot belandde, waren een "normaal" beeld.
De hulpdiensten draaiden overuren. De scheepvaart lag vrijwel
overal stil. Waar nog plezier aan de barre winter kon worden
beleefd was op de sloten en vaarten van het Elfstedentraject,
waar sowieso een vaarverbod gold. Nou ja, plezier... De winter
van 1963 kwam in de annalen als de winter van de veruit meest
barre Elfstedentocht ooit verreden, met veel schaatsers die
voortijdig opgaven en uiteindelijk Reinier Paping uit Dedemsvaart
als winnaar.
Nooit heb ik begrepen waar dat vrachtschip met daarvoor die
ons schaatsijs op de Amstel slopende ijsbreker toen zo nodig
naartoe moest. Wellicht naar het enkele kilometers verderop
aan de Amstel gelegen Cindu? Cindu: Chemische Industrie
Uithoorn, dat al jaren letterlijk in een kwade reuk stond en
waar in 1992 een enorme explosie en brand plaatsvond, waarbij
drie brandweerlieden omkwamen. De dreun en de rookwolken waren
zelfs bij ons thuis hoorbaar en zichtbaar, op een afstand van
zo'n 15 km. Van de toen geëxplodeerde reactor werd
een stuk van 13 ton 300 meter ver weggeslingerd, en
het was eigenlijk een wonder dat de ramp niet meer mensenlevens
kostte, zowel op als bij het fabrieksterrein, want de Amsteldijk,
een mooie en geliefde wandel- en fietsroute, liep er vlak langs.
♦ E N V E R D E R ♦
| aanvulling en later |
In mijn jonge/schooljaren heb ik, voor mijn plezier en uit nieuwsgierigheid,
veel fietstochten door heel het oude Amsterdam gemaakt, behalve dan in
Amsterdam-Noord. Lopend ging ik er wel eens heen. Nou ja, lopend... dat
was amper lopen te noemen. Bijv.:
-
Met de IJ-pont van achter het Centraal Station naar de overkant, dan een
stukje lopen naar de schutsluis (Willem I-sluis) van het Noord-Hollandsch
kanaal (lopend naar Den Helder, aangelegd begin 19e eeuw, en daar een hele
tijd zitten kijken naar het schutten van de schepen. Pas tussen 1824 en
1876 werd het Noordzeekanaal gegraven, omdat daarvoor de duinenrij moest
worden doorgraven die het land beschermde tegen de Noordzee.
-
Met het veerbootje (gratis) naar Nieuwendam en dan daar een stuk rondlopen
in het kleine, maar leuke dijkdorp (genoemd naar een nieuw aangelegde dam
na de doorbraak van de zeedijk in 1516..
-
Met het veerbootje (gratis) naar Schellingwoude en ook daar rondlopen.
Pas heel veel later kwam ik erachter dat daar bij Schellingwoude, bij
de Oranjesluizen, ooit een stoomgemaal heeft gestaan. De Oransjesluizen
waren, net als de IJmuider sluizen, bedoeld om indringing van het zoute
water van de Zuiderzee resp. Noordzee te voorkomen.
Beide genoemde veerbootjes voeren over het IJ. Aam de noordkan van dat
IJ lag de zwavelzuurfabrik van Ketjen, en als het bootje daar ook maar
enigszins in de buurt kwam, dan kon je maar beter even stoppen met
ademhalen, want de SO2; (zwaveldioxide) die uit de schoorsteen van
de fabriek kwam brandde je keel uit je lijf.
Marcanti is in 2023 afgebroken, maar de beeldengroep is eerst met grote
zorg van de muur afgehaald en daarna opgeslagen, met de beoeling dat hij
later een muur van de nieuwbouw zou sieren. Bij die nieuwbouw gaat het
dan om de nieuwe wijk Marktkwartier die, zoals de naam al aangeeft, op
de plaats komt van de oude markthallen en Marcanti. Tegen een muur van
het eerste gebouw van de nieuwe wijk, op de hoek van de Jan van Galenstraat,
krijgt het Danspaar een nieuwe plaats, als een kunstzinnig eerbetoon aan
de plek waar voorheen Marcanti stond.
Tegenover Marcanti lag een groot driehoekig terrein, omsloten door
de Jan van Galenstraat, de
Kostverlorenvaart
en het Westelijk Marktkanaal, met daarover de Jan van Galenbrug.
Oorspronkelijk lag op dat terrein de stadsvuilnisbelt. Daarom
kreeg de (bascule)brug daar in de Jan van Galenstraat, over de
Kostverlorenvaart, net voor de aftakking van het Ooselijk
Marktkanaal, de toepasse;ijke naam "Beltbrug". De belt is later
afgegraven, waarna het terrein werd geëgaliseerd en met een
laag sintels bedekt. Op dat sintelveld vond daarna de jaarlijkse
kermis plaats. Het terrein kreeg daarom de naam "Kop van Jut",
naar een
traditionele kermisattractie
"voor sterke kerels". Later werd er op het terrein een woonwijk
gebouwd. Alle straten in die wijk dragen de naam "Marcanti". En
zo leeft een roemrucht verleden voort.
Al schrijvende aan deze pagina kwamen nog allerlei herinneringen
bovendrijven. In het scholenverhaal zijn die niet echt relevant, maar
ik noem toch één herinnering: iedere zondag gingen pa en
ma met ons naar oma in de Van Oldenbarneveldtstraat, warbij we elke
keer ook langs Marcanti kwamen. En door de brede Frederik Handrikstraat.
En juist in die straat werd de eerste gelede tram getest. Dat ging er
heftig aan toe, met op maximum vermogen optrekken en noodstops. De blauwe
Amsterdamse stadstrams waren in vergelijking met deze tram maar gezapige
dingen. Interessant waren ook de proeven met de vangbeugel: een
vooronder aan de tram hangende beweegbare beugel, die moest voorkomen
dat iemand die per ongeluk voor de tram ten val kwam, door de tram werd
vermorzeld: de vangbeugel klapte tegen de ongelukkige aan, draaide
daardoor naar achteren en stelde al het remvermogen van de tram, met
de wielremmen, railremmen (ijzeren blokken die tegen de rails werden
gedrukt) en zandstrooiers (om de wrijving tussen de rails en de wielen
en blokken te vergroten) in werking. Als passagier moest je je dan
wel heel goed vastgrijpen om niet de hele tram door naar voren te
worden geslingerd.
Speciaal voor met name de optrekproeven, waarbij de motoren enorm veel
stroom trokken, was de bovenleiding, die overal in Amsterdam enkeldraads
was, boven één van de sporen dubbeldraads gemaakt, uiteraard
met bijpassend grotere stroomtoevoer. Na het Frederik Hendrikplantsoen
gerond te hebben reed de tram over het andere spoor, met enkeldraads
bovenleiding, terug naar de remise.
De eerste gelede trams (die ook al snel bekend stonden als "bolkoppen")
waren speciaal bedoeld voor de lijnen 1 en 2 door de (enkelsporige en
met boven elke gracht een tweesporig stuk met halte) smalle Leidsestraat
(waar het enkelspoor overging in dubbelspoor zat een automatische
wissel die voor de tram vanaf het enkelspoor altijd open stond en door
de tram vanaf het dubbelspoor werd open gereden). Daarna volgden er
meer, die elders werden ingezet. Bij het publiek waren "de geledes"
door hun veel grotere comfort t.o.v. de oude trams, dat ze bij het
publiek sterk in trek waren, wat voor een opleving van het aantal
trampassagiers zorgde, en daarmee zelfs voor de overleving van het
tramsysteem in de stad: liever die trams dan bussen. En voor de in
1962 aangelegde vrije trambaan naar Osdorp waren ze als sneltram
geknipt.
Na de daadwerkelijke indienstname van de eerste gelede trams in 1957
bleken ze een vermakelijk aspect te hebben: in de tram zat, tussen
het voorste en het achterste tramdeel, een rond plateau waaromheen
de twee delen draaiden. Ging je op een bankje direct achter dat
plateau zitten, met je voeten op het plateau, dan draaiden onder
je lijf je benen passief mee. En in scherpe bochten kon dat draaien
best ver gaan!
| na school: werk |
Na mijn eindexamen ging ik eerst werken op het Nationaal Lucht-
en Ruimtevaartlaboratorium (NLR), waar ik ook voor het erst met
een "echte computer" (Elliott 803" ging werken. Zowel de computer
als de programmeertaal (domme machinecode) als de sfeer bevielen
me zo slecht, dat ik er een jaar later al vertrok, na een succesvolle
sollicitatie bij wat toen nog Mathematich Centrum (MC) heette,
later Centrum voor Wiskunde en Informatica (MC). Daar heb ik veel
tot stand kunnen brengen, waaronder met name verkrijging, opzet,
10 jaar beheer van .NL, en later, samen met de twee grootste
providers van toen (SURFnet en NLnet) de oprichting van de Stichting
Internet Registratie Nederland (SIDN), die zou uitgroeien tot een
bijzonder succesvolle en officieel door de overheid erkende organisatie.
Op de jaarlijkse conferentie van SIDN, in de beurs van Berlage in
Amsterdam, ben ik zelf nog bedacht met een "hoog" lintje: Ridder
in de orde van de Nederlandse Leeuw.
Ook het opzetten van de eerste open transatlantische Internet is
een van mijn wapenfeiten. Later ben ik op het CWI gaan werken bij
de Personeelsdienst (5 meiden!), binnen het CWI een ondergschoven
kindje waar men het moest doen met van de wetenschappelijke afdelingen
afkomstige verouderde apparatuur. Daar heb ik voor nieuwe werkstations
en de eerste flatscreens op het CWI kunnen zorgen. En daar heb ik ook
de eerste "echte" website, speciaal voor die afdeling, kunnen maken.

In 2004 ben ik met prepensioen gegaan - dat kon toen nog -
en heeft het CWI speciaal voor mij een afscheidsreceptie georganiseerd,
waar - uiteraard, zou ik zeggen - mijn vrouw aanwezig was.
Op de foto zitten wij knus naast elkaar, zoals het hoort. ;-)
Na mijn pensionering ben ik als technisch vrijwilliger bij het oude
(elektrisch/hydraulisch bewogen) museum-stoomgemaal de Cruquius gaan
werken in de hechte "stoomploeg". Maar hoewel het werk mij prima
beviel, was dat zeker niet het geval voor de leiding.

Om die reden ben ik, na 7 jaar bij de Cruquius, overgestapt
naar Museum Stoomgemaal Halfweg, waar de oude machinerie nog intact
was en de stoommachine en schepraderen nog elke maand een weekend
echt onder stoom draaiden, wat een spectaculair gezicht was dat best
wat bezoekers trok. Ik begon er als van alles: conservator, technisch
vrijwilliger, en ict'er.
Juist in mijn tijd bij het stoomgemaal is er iets gebeurd dat aantoont
dat lief en leed soms op een wel heel bijzondere en onverwachte manier
verbonden zijn. De stoomketel bestond uit waterpijpen waaronder een
groot kolenvuur werd gestookt, verbonden met twee stoomdrums, in de
onderste en grootste waarvan het hete water tot stoom werd, en in de
bovenste en kleinste de stoom eerst door een stoomdroger ging en dan
werd opgeslagen. Vanuit die drum ging de stoom door naverhitterpijpen
om uiteindelijk onder hoge druk naar de stoommachine te gaan.

Eens in de 20 jaar moesten de drums gekeurd worden op scheurtjes,
en juist in mijn tijd daar viel zo'n keuring. En helaas, in de drums
bleken bij diverse klinknagels kleine scheurtjes te zitten, waardoor
de drums werden afgekeurd en dus moesten worden vervangen. Dat was een
zeer grote operatie die werd uitgevoerd door de oorspronkelijke maker
van de ketel, de fa. Stork. Toen de bovenste waterpijpen waren
verwijderd heb ik een paar mede-vrijwilligers gevraagd om voor een
foto in de ketel te gaan staan. Dat werd een hele leuke foto. Maar
er kwam een zwart randje omheen.
Van de technisch vrijwilliger hadden er verschillende veel met asbest
gewerkt, met name in de zeevaart. Diverse van hen zijn overleden aan
kanker als gevolg daarvan, waaronder twee van degenen op de foto. Dat
was voor ons allemaal een trieste boel. Van één van hen
hebben we op een speciale manier afscheid genomen: na de crematie en
het vrijgeven van de as hebben we speciaal voor dit afscheid het gemaal
laten draaien en zijn as verstrooid op het uitstromende water, zodat
die uiteindelijk naar zee ging. Maar bij allebei is bij de uitvaart de
kist eerst in het gemaal opgesteld. En volkomen onverwacht was door de
nabestaanden uitgerekend de genoemde foto geplaatst. Heel aangrijpend,
en zo bleek hoe waanzinnig dicht leuk en leed bij elkaar kunnen liggen.
Ik heb 7 jaar met veel plezier als vrijwilliger bij het
stoomgemaal gewerkt. Op een gegeven moment werd de combinatie van
de verschillende delen van mijn werk me te veel werd en heb ik het
conservatorschap aan een ander over kunnrn dragen.
Het einde bij Halfweg kwam voor mij toen Frank IJsselmuiden, de
bestuursvoorzitter en sterke drijvende kracht achter het museumgemaal,
overleed en er een andere voorzitter kwam die bij het gros van de
vrijwilligers niet goed lag. Dat werd voor velen einde oefening. Met
voor alle vrijwilligers die vertrokken pijn in het hart, dat was zeker.
Maar een geheel op vrijwilligers drijvende organisatie kan nu eenmaal
niet functioneren onder een Einzelgänger en allerlei niet
noodzakelijke veranderingen die geen verbeteringen waren.
| naschrift |
Ik denk dat we blij mogen zijn - ik ben het in elk geval wel -
dat we onderwijs hebben genoten in een tijd dat dat nog "ouderwets" goed,
met discipline, werd gegeven en klassikaal ging. Blij dat we de school
hebben kunnen afmaken voordat de afbraak van het onderwijs werd ingezet.
De afbraak die begon met de Mammoetwet en die daarna middels allerlei
"vernieuwingen", bedacht door politici met slechts oog voor scoren op de
korte termijn, in versneld tempo is voortgezet. Afbraak onder het mom
van "verbetering", met als gevolg dat kinderen van nu zoiets basaals
als de grammatica en spelling van het Nederlands niet of nauwelijks
meer beheersen.
Hoe diep kun je als natie zakken? Maar niet alleen het onderwijs wordt
gesloopt: de spelling treft hetzelfde lot, met 'dank' aan een club als
de "Taalunie", die een gecomputeriseerde spelling erdoor drukt die zoiets
als taalgevoel ongewenst maakt en uiteindelijk de nek omdraait. Spelling
met o.a. de beruchte tussen-n-regel, de "regel met honderd uitzonderingen"
en de absurde misogyne regel dat vrouwelijke beroepsaanuidingen niet meer
mogen - een regel die vaak een belachelijk tekstbeeld oplevert,
waarin een vrouw a) een mannelijke beroepsaanduiding krijgt, b) ze soms wel,
soms weer wel met "zij" en "haar" wordt benoemd, c) toch ook nog, kennelijk
als het echt niet anders kan, met "vrouw" wordt aangeduid. Dat alles leidt
tot een warrig misogyn rommeltje. Waar vrijwel alleen de mannelijke vorm
wordt gebruikt, wat dan eufemistisch als "genderneutraal" wordt verkocht
en door de overheid als officieel wordt erkend.
wat overigens ook gezegd kan worden van de website van de zogeheten
"Taalunie", een organisatie die de officiëele goedkeuring van de
overheid heeft, een overheid die zodoende al even misogyn is. En het
is die spelling die op scholen moet worden en wordt onderwezen. Geen
wonder dus dat jongeren zo slecht zijn in Nederlands. De benaming
"Wartaalunie" zou dan ook veel toepasselijker zijn voor de organisatie.
Daarnaast is er in de geheel gecomputeriseerde spelling geen enkele
ruimte meer voor voor zoiets nuttigs als "fuzzy logic" en logisch
denken geen plaats meer, omdat die in kan gaan tegen de dogma's. Voeg
daarbij de even verslavende als debiliserende "smart"phones, zogenaamde
"social" media, desinformerende wezenloos kakelende websites (ook op
medisch of pseudo-medisch gebied - bijv, over de door Arjen Lubach
zo hilarisch beschreven "crianio-sacrale resonantie") - en aan
het wezenloze gekwebbel van extremistische groeperingen en politieke
partijen, en het is duidelijk waarom Nederland steeds verder achterop
raakt in de wereld.
Is het echt allemaal zo negatief geworden? Niet alles gelukkig. Nog steeds
zijn er weldenkende mensen, die niet als kippen-zonder-kop achter de domme
massa aanlopen. Of juist andersom: meisjes die je juist als "influencer"
van alles wijsmaken en voor het grote geld gaan - in elk geval tot
de belastingdienst achter ze aankwam. Kortom, Maar er is nog hoop. In elk
geval een beetje.

En ja, ondanks alle kommer en kwel, naast alle lief en leed, ligt de humor gelukkig nog steeds op
straat. Of misschien beter: in het gras. Wie voor de zoveelste keer
is verhuisd, naar een huis met een al dan niet grote tuin, die moet
maaien. Maar ook daar kan humor in zitten. Of beter: je kunt van
maaien humor maken. Daar heb je dan wel een meisje voor nodig, een
meisje dat niet al te preuts is uitgevallen. Want daarop kan, naast
andere, meer voor de hand ligende activiteiten, ook op een wel heel
aparte manier gemaaid worden. Je moet alleen maar op het idee komen...
| ter afsluiting |
-
Een bijzondere belevenis
Een bijzondere belevenis was wel de allereerste Pride Amsterdam met
de Canal Parade, kleurijke boten vol gays die vanaf het IJ de stad
in voeren. De naam van het evenement is een paar keer veranderd, tot
het in 2015 Amsterdam Pride, omdat het een breder karakter had gekregen:
lhbti+. In de loop de jaren is het een veel en breed publiek trekkend
evenement geworden. Ook eromheen wordt van alles gedaan: zo rijdt er
dan een tram rond beschilderd in regenboogkleuren. In de Canal Parade
vaart demonstratief ook een boot van de politie mee, om te laten zien
dat er ook bij de politie "regenboogmensen" werken.
-
Het einde van mijn zoektochten
Veel van de genoemde oud-klasgenoten zullen niet meer in leven zijn.
Het is echter door allerlei latere ontwikkelingen (mobietjes, strakke
maatregen op het gebied van privacy, zoeken waarbij je tegen steeds
meer restricties/blokkades aanloopt, en zo meer, hebben het zoeken
naar het lot van oud-klasgenoten ondoenlijk gemaakt, reden waarom ik
(en ook vanwege mijn leeftijd) met dat zoeken ben gestopt. Maar ik ben
ben er eigenlijk wel zeker van dat achter de namen van een aantal van
hen - en steeds meer, en zeker achter die van leerkrachten -
(†) zou moeten staan. Het zal echter duidelijk zijn dat
dat niet meer gaat gebeuren. Het werk is leuk geweest, maar het is
toch echt achter de rug, en mijn leven misschien ook. Dat leven was
in menig opzicht goed, maar aan alle goede dingen komt nu eenmaal
onontkoombaar een eind. Maar is het niet leuk voor nabestaanden en
- al dan niet verre - verwanten, en natuurlijk [nageslacht
van] verre familieleden, om dit te lezen en de foto's te zien?
-
In dierbare herinnering: Karin Spaink
De meeste mensen hebben al dan niet hard gewerkt, ze gaan dood en alleen
directe en verdere familie, en een vriendenkring weet ervan. Sommige mensen
hebben ook nog wat voor de maatschappij betekend, en dan bedoel ik niet
om geld en macht te verzamelen. Maar er zijn maar heel weinig mensen die
veel, heel veel hebben gepresteerd in en voor brede delen vvan en groepen
binnen de maatschappij. Tot die categorie hoorde nadrukkelijk Karin Spaink.
Karin was lesbiënne, een categorie die zich in een populistische
maatschappij maar beter gedeisd kan houden en in feite maar het best
ondergronds kan gaan en blijven, maar die in dit land door geestelijk
gezonde mensen gewoon wordt geaccepteerd. Ik vergeleek haar vaak met
Marijn Rademaker, homo in hart en nieren, heel innemend, en ijzersterke
topsolist bij het Nationale Ballet. Karin was ook een gedreven feministe
en activiste. Daar is moed voor nodig en doorzettingsvermogen. Die had
ze allebei in ruime mate.
Voor het eerst hoorde ik van Karin tijdens de bezetting van de abortuskliniek
Bloemenhove in Heemstede door een groot aantal activisten, om daarmee te
voorkomen dat de politie de kliniek zou binnenvallen en die ontruimen
en verzegelen, na de ongeautoriseerde, eigengereide en dictatoriale poging
van de steil-roomse minister van Justitie (!) Dries van Agt, een
bezetting die zo'n succes was dat geen agent zich in de kliniek waagde;
de politie had overigens zelf ook sterke twijfels over de legaliteit van
het optreden van van Agt. Die is trouwens later 180 graden gedraaid
en is zich in gaan zetten voor de Palestijnse zaak.
Karin heeft in haar leven een waslijst aan lichamelijke problemen ondervonden,
waaronder een hersenbloeding, baarmoederhalskanker, borstkanker, en vooral
ook multiple sclerose (MS). MS, een vreselijke, het centraal zenuwstelsel
aantastende auto-immuunziekte. Bij Karin is de ziekte een tijdlang goeddeels
op de achtergrond geweest, om daarna razendsnel en met in hoog tempo
toenemende heftigheid terug te keren. Van hoop naar hopeloos dus. Als
man kan ik niet beschrijven wat een vrouw voelt, als iemand die geen MS
heeft kan ik niet beschrijven wat iemand ervaart die het wel heeft.
En welke vrouw die een borstamputatie heeft ondergaan, heeft het lef,
kan de moed opbrengen, om met ontbloot bovenlichaam, het litteken waar
de geamputeerde borst heeft gezeten duidelijk zichtbaar, op de foto te
gaan? Een foto die links en rechts werd gepubliceerd. Haar doel: met
die foto andere vrouwen wie eenzelfde operatie wachtte moed in te
spreken, een mentale steun in de rug te geven en ze zo te zeggen "Kijk,
zo vreselijk is het toch eigenlijk niet, maaren veel belanrijker is:
LEEFT nog!" Een vrouw ook die lak heeft aan afkeurende commentaren,
vooral van mannen. Een vrouw, kortom, met een forse dosis moed en
zelfvertrouwen, die sterk in haar schoenen staat. Zo'n vrouw dus was
Karin Spaink. En veel mensen steunden haar - hartverwarmend.
Ze is Parool-columniste geweest, en heeft meer dan 1000 columns geschreven,
over vaak gevoelig liggende zaken als privacy, seksuele diversiteit en
feminisme. Ze heeft een jarenlange strijd met de Amerikaanse Scientology
"kerk" gevoerd over haar publicatie van stukken uit wat die sekte "geheime
stukken" noemde waarop alleen zij het auteursrecht hadden. Die strijd heeft
ze ze na vele jaren van procederen gewonnen, nadat Scientology de strijd
als hopeloos had ingezien en opgegeven, kennelijk toen bij hen het inzicht
eindelijk was doorgebroken dat hun claim volledig op drijfzand berustte.
Het tekende Karin dat ze nog getrouwd is geweest met haar hartsvriendin;
over het hoe en waarom kan ze het beste zelf vertellen in haar eigen
verhaal en stijl:
"Waarom ik
weduwe wilde worden".
Karin was ook oprichtster van de stichting Bits of Freedom, die zich inzet
voor digitale burgerrichten. Op haar uitnodiging ben ik zelf daarvoor een
keer jurylid geweest. Ook is zij, met Rejo Zenger e.a., bestuurslid van
Spamvrij.nl geweest.
Ter gelegenheid van de afscheidsreceptie bij mijn pensionering en vertrek
van het Centrum voor Wiskunde en Informatica (CWI) had ik ook Karin als
gast uitgenodigd. We hebben toen een boeiende en bijzonder plezierige
conversatie gehad, waarbij de klik die wij hadden nog eens werd bevestigd;
later zouden we elkaar nog veel vaker (telefonisch, e-mail, Signal) spreken,
en telkens was er weer diezelfe klik ("Ha Piet!"). In 2018 kwam zij als chef
eindredactie bij de organisatie en nieuwswebsite voor financieel-economische
onderzoeksjournalistiek Follow The Money (FTM).
Maar de MS, waar ze een hele tijd veel minder tot amper meer last van had
gehad, begon weer op te spelen en nu zelfs ondraaglijk te worden. Ik prijs
mezelf gelukkig en bewonder haar erom dat zij juist in die tijd, ondanks
de zeer zware fysieke ongemakken, een keer bij mij thuis is geweest. Het
uit en weer in de auto stappen was trouwens bepaald niet eenvoudig, want
zelfs een lichte aanraking om haar een beetje te helpen of te ondersteunen,
en de MS deed haar ineenkrimpen van de pijn. Het raakt je diep om iemand
zo te zien en op geen enkele manier te kunnen helpen. Maar eenmaal binnen
en gezeten ging het beter, en we hebben een hele tijd fijn zitten praten.
En weer was er die klik en die brede belangsteling, van beide kanten.
Kortom, een onvergetelijke ervaring, misschien juist ook omdat ik wist dat
het met haar een aflopende zaak zou zijn. Een door haarzelf bewust geplande
aflopende zaak zelfs; dat had ze me al eerder toevertrouwd.
Ondanks al haar fysieke ongemakken was Karin een zeldzaam actieve, boeiende
en vooral ook bijzonder sympathieke vrouw, met een sprankelende geest. Ze
had ook een duidelijk vast kenmerk: ze kleedde zich altijd in rood, ook al
was er visueel soms alleen maar sprake van rode kenmerken, bijv. manchetten,
zoals op de receptie-foto. Het is wel leuk om hierbij op te merken dat rood
al van jongs af aan mijn lievelingskleur is geweest, al liet ik dat naar
buiten nooit zo blijken.
Ons laatste afscheid, op haar eigen initiatief bij mij thuis, was knap
tweeslachtig. Ze werd gebracht, maar helpen met uitstappen of wat lichte
ondersteuning geven kon eenvoudigweg door de MS dan kkromp ze dan ineen
van de pijn. Hoe ga je in hemelsnaam met zoiets om? Want je voelt je
compleet machteloos. Maar eenmaal binnen en gezeten was het heel anders:
ze kon rustig blijven zitten en we hebben fijn zitten praten, zoals we
dat al zo vaak via de telefoon of Signal hadden gedaan. Toen ze weer
thuis was heeft ze me een mail gestuurd, met daarin een hartverwarmende
en tekenende zinsnede "Weet dat je me dierbaar bent". Dat heeft me diep
geraakt en het was volledig wederzijds. Het is een herinnering die ik
zou koesteren en bewaren, zolang mijn eigen leven nog zou duren.
En toen gebeurde het. Op 8 mei 2026 viel met een harde klap iets in mijn
brievenbus. Het bleek een grote en zware envelop te zijn, met daarin een
boek van Karins FTM. En precies die dag hoorde ik dat "het over
was": haar euthanasie was uitgevoerd. Nog maar 68 jaar oud was ze
toen ze overleed, na een worsteling van vele, vele jaren met haar slechte,
en inmiddels hopeloos geworden gezondheid. Maar wat ze in die jaren heeft
gepresteerd en bereikt grenst aan het ongelofelijke. Juist daarom en
vanwege haar fysieke problemen, haar doorzettingsvermogen ondankt alle
ellende, maar vooral ook vanwege de klik die wij hadden, heb ik van wat
"een stukje" moest worden, een lang stuk gemaakt. Heel bewust, met veel
waardering en diep respect voor die vrouw, die bijzondere vrouw.
Maar bij het toeval met dat boek bleef het niet. Want uitgerekend op
de verjaardag van mijn vrouw viel, tussen de felicitatiekaarten, ook
Karins rouwkaart in de bus. Een groter contrast kun je niet bedenken,
en het stortte mij in een emotionele achtbaan. Toeval bestaat, ik heb
er vaak mee te maken gehad, maar dit was toch wel extreem.
Tot slot wens ik alle nabestaanden, vrienden, kennissen, (oud)collega's
en verdere bekenden sterkte met het verlies van Karin. Heel veel sterkte
zelfs, want dit is geen "gewoon" verlies, maar het verlies van een
vrouw die in vele opzichten uniek was.
Karin, van het geliefde rood van je kleding ging je naar het inktzwart
van je rouwkaart. Je beproevingen zijn voorgoed voorbij. Rust in vrede.
Maar je sprankelende geest leeft voort, je blijft in veler harten en
gedachten, en je zult door velen worden gemist, in het bijzonder ook
door mij, totdat ook ik de geest geef. Maar ondanks alles, inclusief
het harde bewijs van je rouwkaart, blijf ik het maar moeilijk te
accepteren vinden dat je er niet meer bent.
-
Maar laten we andere kanjers niet vergeten
Laten we, na dit lange stuk over Karin, niet over het hoofd zien dat er
meer, veel meer bijzondere vrouwen en mannen zijn. Mensen die in hun
maatschappelijk werk - al dan niet vrijwilligerswerk -
excelleren of zich bijzonder inzetten. Ik denk dan bijv. aan mensen in
de thuiszorg, die hun werk niet als een strikt negen-tot-vijf baantje
zien en dan meteen afnokken, de van hun zorg afhankelijken half of
helemaal niet verzorgd achterlatend ("vijf uur, geen tijd meer, ik moet
nu weg"), maar gewoon doorgaan, ook na de officiëe werktijd dus,
tot ze hun werk af hebben en de patiënt verzorgd kunnen achterlaten.
Of mensen die een (flink) deel van hun vrije tijd opofferen om kinderen te
begeleiden bij allerlei activiteiten, monumenten in stand of draaiend te
houden, daar bezoekers te ontvangen - voor veel kleine monumenten,
die door domme regeltjes en/of overdreven en onhaalbare eisen niet voor
subsidie in aanmerking komend - of bij de vrijwillige politie of
brandweer - met alle daaraan verbonden risico's en agressie waar
ze daar mee te maken kunnen krijgen, vooral door vuurwerk, drank en
drugs - werken. Enzovoorts. Idealisme en hulpvaardigheid zijn
een maatschappelijjk zeer gezonde basis, maar door bestuurderen worden
ze nogal eens ondergewaardeerd: in hun optiek ben je "maar vrijwilliger".
-
En dan is er beslist ook de negatieve kant
Dan hebben we het over al die mensen, mannen en vrouwen, die alleen met
eurotekens in de ogen lopen, op steeds andere hoge - en liefst
hogere - baantjes jagen, om status, maar toch vooral om het Grote
Geld, en dat dan naar een belastingparadijs brengen.
En natuurlijk al die figuren, die een op zichzelf zinnig doel najagen,
maar met volstrekt onzinnige en contraproductieve methodes, zoals het
verstoppen van wegen met megatractoren, het met een massa blokkeren
van wegen, het zich vastlijmen aan het wegdek en door de politie weg
laten dragen - te lui om te lopen dus, maar het gaat ze dan ook
alleen maar om het pesten, het gezien worden en het op het hapgrage
NOS-journaal komen - terwijl je juist daarmee niets bereikt
- integendeel. En natuurlijk zijn daar de hersenloze en vaak
messenzwaaiende raddraaiers te vinden die er gelijk al bij zijn of
zich - vaak geheel los van het doel van de groep - tussen
hen voegen - met als enig doel relschoppen dus. Ook hier spelen
de zogenaamde "sociale" media een belangrijke rol.
tot slot wil ik al diegenen bedanken die hebben bijgedragen aan
het verbeteren en/of meer compleet maken van deze pagina
toen ik nog de mogelijkheid had om hem te onderhouden